Zondagmiddag

Zondagmiddag

Ik gilde. De worm hing kronkelend voor mijn neus en Edwin hield me met een hand in de houdgreep, terwijl hij met de andere het naakte, piemelige beest bij mijn gezicht hield. Edwin was net zo verschrikkelijk als zijn naam. Zijn zusje, met de al even vreselijke naam Paola, stond er schaapachtig bij te grijnzen. Ze had een veel kleinere kamer dan ik maar wel een feloranje pluche kleedje op de vloer. Toch vond ik haar stom. Zeker nu ze met hem mee stond te lachen in plaats van mij te helpen. Alsof hij tegen haar zo aardig was.

Edwin greep de hals van mijn T-shirt beet, trok die open en gooide de worm naar binnen. Ik gilde nog een keer en begon te huilen. Het laatste wat ik wilde was om hem janken waar hij bij stond, maar ik kon er niets aan doen. Ik had een broertje dood aan regenwormen, meer nog dan aan hem. Hij liet me los, gaf me een duw en zei stoer dat ik me niet zo aan moest stellen, en dat hij hem heus niet echt in mijn shirt had gegooid.

Ik rende naar binnen, waar ik reine-claudesiroop van mijn moeder kreeg en snikkend vertelde wat hij had gedaan. Ik hield niet van reine claude, het was veel te groen, maar toch dronk ik het op. Ze aaide me over mijn hoofd en fluisterde in mijn oor: wat een stom rotjoch. Ik lachte door mijn tranen heen.

Later krabde ik op mijn buik. Het jeukte. Ik krabde nog een keer. Toen deed ik mijn T-shirt omhoog. De worm kronkelde op mijn buik en ik gilde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *