Tag: ziekte

Dokter

Dokter

Het was een zonnige donderdagochtend toen de lange, witgesausde gangen mijn voetstappen hol deden klinken terwijl ik me naar de achterste kamer op de zesde verdieping van de poli haastte, waar ik Aafke Verschuren zou ontmoeten. Normaalgesproken zou haar behandelend arts, dokter Verweij, de afspraak op zich hebben genomen, maar hij was wegens griep afwezig en had daarom de opdracht aan mij overgedragen.

Toen ik de deur van de spreekkamer opende, bleef ik staan. Een mij onbekende vrouw zat met een smetteloos witte doktersjas aan en een stethoscoop om haar nek achter het bureau. Aan de andere kant zat een meisje van een jaar of elf. Dat moest Aafke zijn. We waren hier om de uitslag van de test te bespreken. Die was positief, of eigenlijk negatief dus. Het is maar van welke kant je het bekijkt. Ik had me mentaal voorbereid op het gesprek, maar hier was ik niet op voorbereid. Toen ik de vrouw in de witte jas zag zitten was ik een kort moment in de veronderstelling dat een andere collega de penibele taak die mij was toebedeeld had overgenomen. Totdat ik begreep dat het Aafkes moeder moest zijn. Ook zij keek een ogenblik verbaasd, ongetwijfeld had zij verwacht dokter Verweij binnen te zien stappen, maar ze herstelde zich direct en trok een uiterst serieus gezicht.

‘Goedemiddag meneer…’ Haar ogen vernauwden zich terwijl ze naar het naambordje op mijn borst tuurde. ‘…Van Zijl,’ zei ze, en stak haar hand naar me uit. ‘Ik ben dokter Verschuren.’ Haar stem klonk gedecideerd. ‘En dit is Aafke Verschuren, mijn assistent.’
Ze wees naar het meisje met de donkere kringen onder haar ogen. Zij keek mij eveneens met een ernstig gezichtje aan.Lichtelijk van mijn à propos pakte ik haar hand aan. Ze had koele, zachte vingers. Bij de aanraking trok er een klein schokje door mijn huid. Ze bleef mij gespannen aankijken, mijn hand nog steeds losjes maar onontkoombaar vasthoudend. Plotseling begreep ik hun bedoeling en glimlachte.
‘Goedemiddag dókter Verschuren,’ antwoordde ik gespeeld beleefd. Eindelijk liet ze mijn hand los. Ik pakte die van het meisje. Klam. ‘Goedemiddag, Aafke.’
Ze keek me met grote grijze ogen strak aan, dwars door me heen leek het. Pas later besefte ik op dat moment geen enkel spoor van een glimlach of blik van verstandhouding op het gezicht van het meisje te hebben gezien.

Hoe het ook zij, ik besloot onverwijld het spelletje mee te spelen, de situatie was immers pijnlijk genoeg. Alles om het kind enigszins gerust te stellen. Ik nam plaats op de lege stoel naast Aafke, knipoogde naar haar en zei tegen haar moeder: ‘En, dokter?’
‘De situatie is ernstiger dan voorzien, meneer Van Zijl. Ik ben bang dat we nader onderzoek moeten doen.’
‘O, dat klinkt niet best. Wat voor onderzoek?’ vroeg ik op schertsende toon aan Aafke. Nog steeds die enorme grijze ogen.
‘Komt u met ons mee?’ Mevrouw Verschuren wees naar de deur. Ik begon me enigszins ongemakkelijk te voelen, maar omwille van het arme ding wilde ik niet nu al de pret bederven.

We liepen de spreekkamer uit en stapten gedrieën door de naakte gang. Links, bij kamer 6.3, stond een rolstoel. Mevrouw Verschuren legde haar koele handen op mijn schouders en probeerde mij in de stoel te duwen. Mijn lichaam verstrakte, het stribbelde haast automatisch tegen. Toen kruiste ik per ongeluk de blik van het arme kind, en ik liet me in de stoel zakken. Laat ik het niet direct verpesten, dacht ik nog. Er tintelde iets achter in mijn nek.

Voort ging het, Aafke duwde me door eindeloze gangen, in de lift, weer door gangen, tot we in de krochten van het ziekenhuis belandden. De laboratoria. Het mortuarium. Het leek alsof ze feilloos de weg wisten. De absolute stilte waarin een en ander zich voltrok verontrustte me. Ik probeerde een grapje te maken door te vragen: ‘Dokter, zij we er al bijna?’, en toen daar geen reactie op kwam te laten doorschemeren dat het wat mij betreft welletjes was geweest. Maar voordat ik een woord kon uitbrengen, voelde ik die koele handen die me zacht doch onherroepelijk neerdrukten in de rolstoel. Om van die grote grijze ogen nog maar te zwijgen. Mijn hart brak, elke keer dat ze me aankeken, en dan zwichtte ik weer. Nog even meespelen.

Uiteindelijk reden we een donkere ruimte binnen. Het vertrek had geen ramen, rechts van de ingang stond een stalen tafel met medische instrumenten en injectienaalden. Mevrouw Verschuren knipte de lamp aan, sloot de deur achter ons, liep naar de tafel en pakte zonder aarzelen een injectienaald, alsof ze precies wist welke ze hebben moest. Nu haar dwingende handen niet meer op mijn schouders rustten, stond ik eindelijk op uit de stoel.
‘Goed, mevrouw Verschuren…’
‘Dokter Verschuren.’
‘Dókter Verschuren,’ herhaalde ik korzelig.
Ze liep op me af met de injectienaald in haar hand. Er gleed een zweetdruppel over mijn rug, en ik deed behoedzaam een stapje naar achteren, mijn handen afwerend omhoog.
‘Nu is het mooi geweest. Het was een goede grap, ik heb hem zeer gewaardeerd. Ik begrijp tevens dat het een moeilijke situatie voor u is. Ik zal er dan ook alles aan doen…’
‘U zult helemaal niets meer doen, meneer Van Zijl.’
Ik draaide me naar Aafke, het zweet inmiddels ook op mijn voorhoofd, in de hoop op bijval. Zij zou haar moeder nu vast wel laten weten dat de grap onderhand lang genoeg had geduurd. In haar ogen zag ik echter geen begrip, enkel de reflectie van haar moeder die van achteren op mij afkwam. Nog voordat ik mij kon omdraaien, voelde ik een vlijmende pijn in mijn rechterarm, gemeen als een bijensteek. Geschokt staarde ik naar de plek waar de naald uitstak en voelde de huid eromheen intens warm worden. Alvorens ik het woord godverdomme kon uitspreken, draaiden mijn ogen weg en zakte ik op de grond. Alles werd zwart.

Het valt me zwaar dit verhaal te vertellen. De vernedering dit niet anoniem te kunnen opschrijven maar het te moeten dicteren aan een ander is fnuikend. Zoals de injectie mijn spieren voorgoed heeft aangetast, zo tast deze situatie mijn laatste beetje zelfrespect aan. Niet meer mijn eigen reet te kunnen afvegen doet de rest. En voor het geval u het zich afvraagt: niemand heeft mevrouw Verschuren, noch Aafke, ooit kunnen traceren.