Tag: wraak

Meisjes van vijftien

Meisjes van vijftien

Veertien minuten over zeven in de ochtend was het toen meneer Van Zuylen wakker werd. Meneer Van Zuylen, of Herr Von Zuylen zoals hij zich graag liet noemen in de tijd dat hij nog leraar was en zich niets aantrok van zijn leerlingen die hem achter zijn rug om belachelijk maakten om die naam – en zijn collega’s trouwens ook – vond dat de rode cijfers op de wekker naast zijn bed hem verwijtend aankeken, maar hij begreep het wel want hij was veel te laat opgestaan, hij verweet het zichzelf ook. Meneer Van Zuylen hield niet van lang slapen. Meneer Van Zuylen hield van veel dingen niet, niet van thee met melk en niet van zijn leerlingen, maar wel van Duitse naamvallen en van pünktlichkeit. Misschien dat hij daarom toch leraar Duits was geworden, hoewel hij nu oud en kaal was en al lang met pensioen. Meneer Van Zuylen was een kale man, zelfs zijn handelingen waren kaal. 

     Ordnung muß sein, zei hij tegen zichzelf – en hij meende het – toen hij met krakende knieën uit bed stapte en met zijn tenen zijn kale pantoffels onder het bed zocht en ze niet vond. Terwijl zijn voeten blindelings rondtastten omdat hij met zijn stijve rug niet goed kon bukken ergerde hij zich aan die zinsnede die zijn gedachte bestookte, omdat die nogal voor de hand liggend was. Hij keek naar beneden, naar zijn voeten en naar de nagels die hinderlijk vergeeld en vergroeid waren en hij maakte een notitie in zijn hoofd om er dat meisje Vermeulen van de thuiszorg op aan te spreken. Eigenlijk was ze geen meisje meer, maar ze deed hem denken aan een leerling die ooit bij hem in de klas had gezeten, een van die vijftienjarige fluistermeisjes die de schoonheid van bloemrijke Duitse liefdespoëzie niet konden bevatten maar wel wat het was om hongerige jongens om de vinger te winden. Meneer Van Zuylen kon zich haar naam, Annechien, nog herinneren, zoals ook haar gegiebel hem nog levendig voor de geest stond en hem destijds ernstig tegen de borst stuitte; hoe slapper haar lach hoe groter zijn hekel aan haar. Het soort meisje dat meestal precies dat deed waarvan ze wist dat hij er niet van hield. Ze was een steentje in zijn schoen dat er twee jaar zat en toen het ten langen leste zijn huid open had geschuurd en een bloedende wond had veroorzaakt werd hij van school gestuurd en niet zij. Het zou nooit wat met haar worden, dat was een ding dat zeker was. Ze was een onnozel wicht en alle Gewimmel niet waard. Toch drong ze soms met haar, wat hem betreft misplaatste, air van zelfverzekerdheid zijn dromen binnen en als het steentje dan zijn hersenpan schuurde sloeg hij om zich heen als om een vervelende vlieg weg te jagen, hoewel hij zich daar niet bewust van was omdat hij sliep. 

     De dikke fluwelen gordijnen hielden het zonlicht grotendeels buiten en daarom kon hij zich niet goed oriënteren in de schemerige kamer, bovendien had hij zijn bril nog niet op. Overigens viel er niet veel te oriënteren, want de kamer was minstens twintig jaar niet veranderd, dezelfde kaalhouten meubels stonden op dezelfde plek op de sleetse linoleum vloer dus hij wist precies waar alles zich bevond; de omtrekkende bewegingen die nodig waren om de confrontatie met de meubels – die niets anders te doen leken te hebben dan daarop te wachten – te vermijden, hadden zich fysiek in hem verankerd. Hij stak zijn arm uit naar de bril op het nachtkastje, zette hem op zijn neus en bukte zich daarna moeizaam om onder het bed te kijken, wat zijn hoofd deed bonken en een pijnscheut door zijn rug joeg, dof en koud als een steen, en toen had hij eindelijk zijn pantoffels te pakken en schoof ze stevig aan zijn voeten zodat ze niet uit zouden slippen om hem ten val te brengen, iets wat zomaar gebeuren kon. 

     Met zijn goede hand hengelde meneer Van Zuylen zijn stok naar zich toe, die in een tamelijk adequate imitatie van hemzelf stram naast het nachtkastje stond te wachten, en met diezelfde hand duwde hij zich voorzichtig overeind en probeerde niet te kraken bij het opstaan, bang dat zijn skelet als een berg aangevreten kippenbotjes in elkaar zou storten. Omdat meneer Van Zuylen grote aandrang voelde schuifelde hij direct door naar de badkamer, wat wirklich veel te langzaam ging, zijn krompelige lichaam kraakte in zijn voegen terwijl zijn snor slap naar beneden hing als een dode, grijze muis en de druppels zich zonder schuldgevoel verzamelden op de voorkant van zijn pyjamabroek, want dat is nu eenmaal wat druppels doen bij een oude, zieke man die het allemaal niet meer kan ophouden. 

     Bij de badkamer aangekomen hield hij zich met twee handen vast aan de deurpost – er zou nog steeds een beugel geplaatst worden – en tastte naar het lichtkoordje, maar aangezien die verdammte stok zich nog in zijn andere hand bevond raakte hij uit evenwicht, maakte slagzij en belandde met een doffe smak op de koude badkamervloer. Daar lag hij, bevangen door een scherpe en hete pijn die de tranen in zijn ogen deden opwellen, zich hijgend tussen de mistroostig mosgroene tegels te realiseren dat hij zijn enkel had gebroken. Meneer Van Zuylen greep naar het alarm om zijn nek, maar had het op het nachtkastje laten liggen omdat hij ‘s nachts hij altijd bang was erin verstrikt te raken en nu kon hij geen kant op. Het lukte hem niet zich overeind te hijsen en de betonnen vloer deed zijn dunne papieren huid snel afkoelen, zodat hij begon te rillen. Hij dacht aan het meisje van de thuiszorg waar hij op zou moeten wachten en dat zou nog uren duren; als ze vandaag um Gottes willen maar niet te laat kwam. Ze wist dat hij er niet van hield. 

Toen Annechien Vermeulen die ochtend, om acht minuten over half elf om precies te zijn – ze was ruim een uur te laat omdat ze de avond ervoor haar wekker vergeten was te zetten toen haar moeder haar nog veel te laat had gebeld om te klagen over haar vader – binnenkwam in het appartement van meneer Van Zuylen was het stil, een geluidloosheid die kaal in de lucht hing. Ze keek om de hoek van de salon en riep hem, maar er volgde geen antwoord en daarom liep ze door naar de slaapkamer, waar de roerloosheid de stofjes deed dansen in een dunne strook zonlicht die door het gordijn kwam, en vervolgens liep ze naar de badkamer waar ze eindelijk een schor gefluister hoorde. Toen ze over de drempel stapte zag ze hem half buiten bewustzijn op de grond liggen, wit als een vaatdoek en met blauwige lippen lag hij overduidelijk te vergaan van de pijn en de enkel zag eruit alsof iemand hem had willen opblazen om een verjaardagsfeestje luister bij te zetten. De stank benam haar de adem omdat hij alles had laten lopen en krampachtig stak hij een hand naar haar op terwijl hij zachtjes Bitte kreunde, wat Annechien enigszins verwonderde aangezien hij nog nooit alsjeblieft tegen haar had gezegd. Terwijl ze naar hem keek en zich afvroeg of hij dat überhaupt wel eens tegen iemand had gezegd, zei ze Wie schade für Ihnen!, zich er niet van bewust dat ze de naamvallen door elkaar haalde en hoe jammer dat inderdaad was voor meneer Van Zuylen. Ze draaide zich om, trok eerst de badkamerdeur en vervolgens de buitendeur achter zich dicht en liet het zonlicht haar wangen verwarmen. Het beloofde een prachtige zomerdag te worden.

Photo by Katarzyna Grabowska on Unsplash

Dokter

Dokter

Het was een zonnige donderdagochtend toen de lange, witgesausde gangen mijn voetstappen hol deden klinken terwijl ik me naar de achterste kamer op de zesde verdieping van de poli haastte, waar ik Aafke Verschuren zou ontmoeten. Normaalgesproken zou haar behandelend arts, dokter Verweij, de afspraak op zich hebben genomen, maar hij was wegens griep afwezig en had daarom de opdracht aan mij overgedragen.

Toen ik de deur van de spreekkamer opende, bleef ik staan. Een mij onbekende vrouw zat met een smetteloos witte doktersjas aan en een stethoscoop om haar nek achter het bureau. Aan de andere kant zat een meisje van een jaar of elf. Dat moest Aafke zijn. We waren hier om de uitslag van de test te bespreken. Die was positief, of eigenlijk negatief dus. Het is maar van welke kant je het bekijkt. Ik had me mentaal voorbereid op het gesprek, maar hier was ik niet op voorbereid. Toen ik de vrouw in de witte jas zag zitten was ik een kort moment in de veronderstelling dat een andere collega de penibele taak die mij was toebedeeld had overgenomen. Totdat ik begreep dat het Aafkes moeder moest zijn. Ook zij keek een ogenblik verbaasd, ongetwijfeld had zij verwacht dokter Verweij binnen te zien stappen, maar ze herstelde zich direct en trok een uiterst serieus gezicht.

‘Goedemiddag meneer…’ Haar ogen vernauwden zich terwijl ze naar het naambordje op mijn borst tuurde. ‘…Van Zijl,’ zei ze, en stak haar hand naar me uit. ‘Ik ben dokter Verschuren.’ Haar stem klonk gedecideerd. ‘En dit is Aafke Verschuren, mijn assistent.’
Ze wees naar het meisje met de donkere kringen onder haar ogen. Zij keek mij eveneens met een ernstig gezichtje aan.Lichtelijk van mijn à propos pakte ik haar hand aan. Ze had koele, zachte vingers. Bij de aanraking trok er een klein schokje door mijn huid. Ze bleef mij gespannen aankijken, mijn hand nog steeds losjes maar onontkoombaar vasthoudend. Plotseling begreep ik hun bedoeling en glimlachte.
‘Goedemiddag dókter Verschuren,’ antwoordde ik gespeeld beleefd. Eindelijk liet ze mijn hand los. Ik pakte die van het meisje. Klam. ‘Goedemiddag, Aafke.’
Ze keek me met grote grijze ogen strak aan, dwars door me heen leek het. Pas later besefte ik op dat moment geen enkel spoor van een glimlach of blik van verstandhouding op het gezicht van het meisje te hebben gezien.

Hoe het ook zij, ik besloot onverwijld het spelletje mee te spelen, de situatie was immers pijnlijk genoeg. Alles om het kind enigszins gerust te stellen. Ik nam plaats op de lege stoel naast Aafke, knipoogde naar haar en zei tegen haar moeder: ‘En, dokter?’
‘De situatie is ernstiger dan voorzien, meneer Van Zijl. Ik ben bang dat we nader onderzoek moeten doen.’
‘O, dat klinkt niet best. Wat voor onderzoek?’ vroeg ik op schertsende toon aan Aafke. Nog steeds die enorme grijze ogen.
‘Komt u met ons mee?’ Mevrouw Verschuren wees naar de deur. Ik begon me enigszins ongemakkelijk te voelen, maar omwille van het arme ding wilde ik niet nu al de pret bederven.

We liepen de spreekkamer uit en stapten gedrieën door de naakte gang. Links, bij kamer 6.3, stond een rolstoel. Mevrouw Verschuren legde haar koele handen op mijn schouders en probeerde mij in de stoel te duwen. Mijn lichaam verstrakte, het stribbelde haast automatisch tegen. Toen kruiste ik per ongeluk de blik van het arme kind, en ik liet me in de stoel zakken. Laat ik het niet direct verpesten, dacht ik nog. Er tintelde iets achter in mijn nek.

Voort ging het, Aafke duwde me door eindeloze gangen, in de lift, weer door gangen, tot we in de krochten van het ziekenhuis belandden. De laboratoria. Het mortuarium. Het leek alsof ze feilloos de weg wisten. De absolute stilte waarin een en ander zich voltrok verontrustte me. Ik probeerde een grapje te maken door te vragen: ‘Dokter, zij we er al bijna?’, en toen daar geen reactie op kwam te laten doorschemeren dat het wat mij betreft welletjes was geweest. Maar voordat ik een woord kon uitbrengen, voelde ik die koele handen die me zacht doch onherroepelijk neerdrukten in de rolstoel. Om van die grote grijze ogen nog maar te zwijgen. Mijn hart brak, elke keer dat ze me aankeken, en dan zwichtte ik weer. Nog even meespelen.

Uiteindelijk reden we een donkere ruimte binnen. Het vertrek had geen ramen, rechts van de ingang stond een stalen tafel met medische instrumenten en injectienaalden. Mevrouw Verschuren knipte de lamp aan, sloot de deur achter ons, liep naar de tafel en pakte zonder aarzelen een injectienaald, alsof ze precies wist welke ze hebben moest. Nu haar dwingende handen niet meer op mijn schouders rustten, stond ik eindelijk op uit de stoel.
‘Goed, mevrouw Verschuren…’
‘Dokter Verschuren.’
‘Dókter Verschuren,’ herhaalde ik korzelig.
Ze liep op me af met de injectienaald in haar hand. Er gleed een zweetdruppel over mijn rug, en ik deed behoedzaam een stapje naar achteren, mijn handen afwerend omhoog.
‘Nu is het mooi geweest. Het was een goede grap, ik heb hem zeer gewaardeerd. Ik begrijp tevens dat het een moeilijke situatie voor u is. Ik zal er dan ook alles aan doen…’
‘U zult helemaal niets meer doen, meneer Van Zijl.’
Ik draaide me naar Aafke, het zweet inmiddels ook op mijn voorhoofd, in de hoop op bijval. Zij zou haar moeder nu vast wel laten weten dat de grap onderhand lang genoeg had geduurd. In haar ogen zag ik echter geen begrip, enkel de reflectie van haar moeder die van achteren op mij afkwam. Nog voordat ik mij kon omdraaien, voelde ik een vlijmende pijn in mijn rechterarm, gemeen als een bijensteek. Geschokt staarde ik naar de plek waar de naald uitstak en voelde de huid eromheen intens warm worden. Alvorens ik het woord godverdomme kon uitspreken, draaiden mijn ogen weg en zakte ik op de grond. Alles werd zwart.

Het valt me zwaar dit verhaal te vertellen. De vernedering dit niet anoniem te kunnen opschrijven maar het te moeten dicteren aan een ander is fnuikend. Zoals de injectie mijn spieren voorgoed heeft aangetast, zo tast deze situatie mijn laatste beetje zelfrespect aan. Niet meer mijn eigen reet te kunnen afvegen doet de rest. En voor het geval u het zich afvraagt: niemand heeft mevrouw Verschuren, noch Aafke, ooit kunnen traceren.