Tag: verhaal

Zondagmiddag

Zondagmiddag

Ik gilde. De worm hing kronkelend voor mijn neus en Edwin hield me met een hand in de houdgreep, terwijl hij met de andere het naakte, piemelige beest bij mijn gezicht hield. Edwin was net zo verschrikkelijk als zijn naam. Zijn zusje, met de al even vreselijke naam Paola, stond er schaapachtig bij te grijnzen. Ze had een veel kleinere kamer dan ik maar wel een feloranje pluche kleedje op de vloer. Toch vond ik haar stom. Zeker nu ze met hem mee stond te lachen in plaats van mij te helpen. Alsof hij tegen haar zo aardig was.

Edwin greep de hals van mijn T-shirt beet, trok die open en gooide de worm naar binnen. Ik gilde nog een keer en begon te huilen. Het laatste wat ik wilde was om hem janken waar hij bij stond, maar ik kon er niets aan doen. Ik had een broertje dood aan regenwormen, meer nog dan aan hem. Hij liet me los, gaf me een duw en zei stoer dat ik me niet zo aan moest stellen, en dat hij hem heus niet echt in mijn shirt had gegooid.

Ik rende naar binnen, waar ik reine-claudesiroop van mijn moeder kreeg en snikkend vertelde wat hij had gedaan. Ik hield niet van reine claude, het was veel te groen, maar toch dronk ik het op. Ze aaide me over mijn hoofd en fluisterde in mijn oor: wat een stom rotjoch. Ik lachte door mijn tranen heen.

Later krabde ik op mijn buik. Het jeukte. Ik krabde nog een keer. Toen deed ik mijn T-shirt omhoog. De worm kronkelde op mijn buik en ik gilde.

Schat

Schat

Zachtjes sluipen we de trap af in fluwelen pyjamaatjes. De treden kraken en voelen koud aan onze blote voeten. Het begint al een beetje licht te worden, maar het huis slaapt nog. De stilte drukt op mijn oren. In de woonkamer zijn de bruine ribfluwelen gordijnen gesloten, de schemer werpt vreemde schaduwen op de vloer en de muren. Ze bewegen. Of niet? Lange grijpgrage armen die me willen pakken. Ik klem me dicht tegen broer aan. Hij is niet bang, dat weet ik zeker, het trillen komt van de kou. De schaduwen graaien naar mijn voeten en ik spring snel op de bank, trek mijn knieën hoog op en grijp het paarse kussen. Mijn schild tegen de schimmen.

Broer gaat op zoek. Achter de grote vingerplant in de hoek bij het raam, achter de gordijnen. Doordat hij ze een stukje wegtrekt springen de schaduwen opzij, op mij af. Ik kruip weg tegen de rugleuning van de bank, verstop mijn hoofd onder het kussen. Met een oog kijk ik er onderdoor. Heeft hij het al gevonden? Hij snuffelt tussen de theekopjes in het glazen kastje, hij speurt onder de bank. Daar vindt hij alleen een grote pluk stof. Hij blaast hem van zijn vingers, het dwarrelt op het rotan salontafeltje waar het nog even blijft wiegen. De donkere schaduwen lijken zich eroverheen te buigen, het schaapje op te willen slokken. Ik ril.

Zelfs in de boekenkast, waar mijn lievelingsboek van Richard Scarry staat, ligt niet wat we zoeken. De schaduwen komen dichterbij, als hij onze schat niet snel vindt, zullen ze ons grijpen en meeslepen naar hun hol, dan zijn wij hun schat.
‘Schiet op,’ fluister ik zo hard mogelijk.
‘Ik kan het niet vinden.’
‘Misschien onder de kussens van de bank?’
‘Kijk jij dan.’
‘Ik durf niet!’ Ik kruip nog verder weg in de hoek van de bank.
Broer zucht en begint de kussens op te tillen. Dan zitten we allebei heel stil, oren gespitst. Gemorrel aan de voordeur. Stemmen. Ik wil gillen, maar broer slaat zijn hand voor mijn mond. De stemmen klinken als schor gefluister, ik hoor iemand akelig lachen, dan de voordeur die open gaat en de schaduwen worden zwarter dan zwart en beginnen zich los te maken van de muur, ze schuiven langzaam met lange, benige vingers over de vloer naar ons toe en laten donkere vlekken achter op het tapijt.

Broer trekt me achter de bank en samen liggen we met bonkend hart te luisteren totdat ze ons komen halen. Het is zover. Ik weet het zeker. We hebben verloren. De knarsende stemmen klinken nu in de gang, bibberend zitten we te wachten tot ijskoude handen ons in de lurven grijpen. Ik piep. Broer slaat onhandig zijn armen om me heen en ik schrik, zijn armen zijn helemaal zwart en als ik naar mezelf kijk zie ik dat een schaduw zich om mijn been heeft geslingerd en het steeds donkerder kleurt, alsof de vlek die ik laatst op school had gemaakt met Oost-Indische inkt zich verspreidt door mijn aderen en mijn bloed en daarmee mijn huid zwart verft. Hard wrijf ik over mijn benen om het af te vegen, zo hard dat het schuurt en schrijnt, weg wil ik het zwart, maar het verdwijnt niet en dan probeer ik onder de bank te schuiven, ze mogen me niet vinden.

Terwijl ik met een dikke, strakgetrokken keel half onder de bank geklemd lig, stoot ik ergens tegenaan. Een doosje rozijntjes schuift over de vloer, een mandarijntje rolt erachteraan. Mijn arm strekt zich als vanzelf uit om het tegen te houden. Wit. Mijn huid is weer gewoon melkwit.

Schoonmoeder

Schoonmoeder

‘Hoe is het eigenlijk met… Sandra?’ gokt Eric.
‘Sandrina.’ Peter neemt een laatste slok bier, zet het lege glas op tafel. Hij krabt op zijn hoofd. ‘Goed. Denk ik.’
‘Zie je haar niet meer?’
‘Ze is nu met ene Johan, schijnt.’
Eric schenkt Peters glas nogmaals vol. Heel vol. Het bier loopt nog net niet over de rand. Peter moet zich over de tafel buigen om eerst wat bier op te slurpen, voordat hij het glas zonder knoeien op kan pakken.
‘En die Daniëlle? Die blonde? Die was wel leuk.’ Eric graait een handje gezouten pinda’s uit het bruine aardewerken bakje dat op tafel staat. De gordijnen zijn dicht, het is warm in de woonkamer. Rode kaarsen branden op tafel. Een kerstboom staat zich bij het raam enorm uit te sloven. Glitterballen, rood en goud. Alles rood en goud. Knipperende elektrische lampjes. Aan, uit, aan, uit. Daarna langzamer, een paar seconden aan, een paar seconden uit, om vervolgens te knipperen alsof hun leven er vanaf hangt. Dan begint het hele circus opnieuw.
‘Daniëlle?’ Peter denkt even na. Krabt nogmaals op zijn hoofd. ‘O, die. Nee, dat was niks. Die wilde meer…’
‘Meer wat? Avontuur? Romantiek? Ja, dat willen ze graag. Dat moet je ze wel kunnen geven natuurlijk. Kijk maar naar mij en Joke. Zij heeft niets te klagen.’ Hij knikt even in de richting van de keuken en knipoogt dan naar Peter. Die bestudeert de hysterische kerstlichtjes alsof er een verborgen boodschap in verstopt zou kunnen zitten.
Uit de keuken klinkt gerammel van pannen en deksels en het gesmoorde gevloek van Joke, gekletter van borden die uit de kast worden getrokken, een la die wordt opengetrokken, gerinkel van bestek. In de woonkamer kleeft de stilte als een klamme waas aan de meubels. Peters stem verscheurt het onbeweeglijk zwijgen.
‘Mijn moeder kan je niet uitstaan, wist je dat?’
Erics hand blijft zweven boven het bakje pinda’s.
‘Waarom zeg je dat?’
‘Ik weet niet. Er viel een stilte. Dit was het enige dat me te binnen schoot.’
Joke, met een verhit gezicht en een beduimeld schort om, komt de kamer binnen, haar handen vol borden en bestek. Ze probeert met een elleboog de kaarsen op tafel opzij te schuiven om plaats te maken, waarbij er een vervaarlijk begint te wankelen. De mannen kijken toe. Ze zet snel de borden op tafel en smijt het bestek ernaast, grijpt dan de wiebelende kaars. Ze vloekt binnensmonds.
‘Peter zegt dat je moeder me niet kan uitstaan.’ Eric beziet hoe Joke met haar nagel wat druppels kaarsvet van de tafel krabt. Joke kijkt verbaasd op.
‘Hoe kun je dat nou zeggen, Peter? Daar is niets van waar!’ Ze zet de handen in haar zij terwijl ze met opgetrokken wenkbrauwen naar Peter kijkt.
‘Ja, hoe kun je dat nou zeggen?’ echoot Eric.
‘Je overdrijft, Peter. Hooguit heeft ze hem niet zo hoog zitten.’ Joke draait zich om en loopt terug naar de keuken.

Dokter

Dokter

Het was een zonnige donderdagochtend toen de lange, witgesausde gangen mijn voetstappen hol deden klinken terwijl ik me naar de achterste kamer op de zesde verdieping van de poli haastte, waar ik Aafke Verschuren zou ontmoeten. Normaalgesproken zou haar behandelend arts, dokter Verweij, de afspraak op zich hebben genomen, maar hij was wegens griep afwezig en had daarom de opdracht aan mij overgedragen.

Toen ik de deur van de spreekkamer opende, bleef ik staan. Een mij onbekende vrouw zat met een smetteloos witte doktersjas aan en een stethoscoop om haar nek achter het bureau. Aan de andere kant zat een meisje van een jaar of elf. Dat moest Aafke zijn. We waren hier om de uitslag van de test te bespreken. Die was positief, of eigenlijk negatief dus. Het is maar van welke kant je het bekijkt. Ik had me mentaal voorbereid op het gesprek, maar hier was ik niet op voorbereid. Toen ik de vrouw in de witte jas zag zitten was ik een kort moment in de veronderstelling dat een andere collega de penibele taak die mij was toebedeeld had overgenomen. Totdat ik begreep dat het Aafkes moeder moest zijn. Ook zij keek een ogenblik verbaasd, ongetwijfeld had zij verwacht dokter Verweij binnen te zien stappen, maar ze herstelde zich direct en trok een uiterst serieus gezicht.

‘Goedemiddag meneer…’ Haar ogen vernauwden zich terwijl ze naar het naambordje op mijn borst tuurde. ‘…Van Zijl,’ zei ze, en stak haar hand naar me uit. ‘Ik ben dokter Verschuren.’ Haar stem klonk gedecideerd. ‘En dit is Aafke Verschuren, mijn assistent.’
Ze wees naar het meisje met de donkere kringen onder haar ogen. Zij keek mij eveneens met een ernstig gezichtje aan.Lichtelijk van mijn à propos pakte ik haar hand aan. Ze had koele, zachte vingers. Bij de aanraking trok er een klein schokje door mijn huid. Ze bleef mij gespannen aankijken, mijn hand nog steeds losjes maar onontkoombaar vasthoudend. Plotseling begreep ik hun bedoeling en glimlachte.
‘Goedemiddag dókter Verschuren,’ antwoordde ik gespeeld beleefd. Eindelijk liet ze mijn hand los. Ik pakte die van het meisje. Klam. ‘Goedemiddag, Aafke.’
Ze keek me met grote grijze ogen strak aan, dwars door me heen leek het. Pas later besefte ik op dat moment geen enkel spoor van een glimlach of blik van verstandhouding op het gezicht van het meisje te hebben gezien.

Hoe het ook zij, ik besloot onverwijld het spelletje mee te spelen, de situatie was immers pijnlijk genoeg. Alles om het kind enigszins gerust te stellen. Ik nam plaats op de lege stoel naast Aafke, knipoogde naar haar en zei tegen haar moeder: ‘En, dokter?’
‘De situatie is ernstiger dan voorzien, meneer Van Zijl. Ik ben bang dat we nader onderzoek moeten doen.’
‘O, dat klinkt niet best. Wat voor onderzoek?’ vroeg ik op schertsende toon aan Aafke. Nog steeds die enorme grijze ogen.
‘Komt u met ons mee?’ Mevrouw Verschuren wees naar de deur. Ik begon me enigszins ongemakkelijk te voelen, maar omwille van het arme ding wilde ik niet nu al de pret bederven.

We liepen de spreekkamer uit en stapten gedrieën door de naakte gang. Links, bij kamer 6.3, stond een rolstoel. Mevrouw Verschuren legde haar koele handen op mijn schouders en probeerde mij in de stoel te duwen. Mijn lichaam verstrakte, het stribbelde haast automatisch tegen. Toen kruiste ik per ongeluk de blik van het arme kind, en ik liet me in de stoel zakken. Laat ik het niet direct verpesten, dacht ik nog. Er tintelde iets achter in mijn nek.

Voort ging het, Aafke duwde me door eindeloze gangen, in de lift, weer door gangen, tot we in de krochten van het ziekenhuis belandden. De laboratoria. Het mortuarium. Het leek alsof ze feilloos de weg wisten. De absolute stilte waarin een en ander zich voltrok verontrustte me. Ik probeerde een grapje te maken door te vragen: ‘Dokter, zij we er al bijna?’, en toen daar geen reactie op kwam te laten doorschemeren dat het wat mij betreft welletjes was geweest. Maar voordat ik een woord kon uitbrengen, voelde ik die koele handen die me zacht doch onherroepelijk neerdrukten in de rolstoel. Om van die grote grijze ogen nog maar te zwijgen. Mijn hart brak, elke keer dat ze me aankeken, en dan zwichtte ik weer. Nog even meespelen.

Uiteindelijk reden we een donkere ruimte binnen. Het vertrek had geen ramen, rechts van de ingang stond een stalen tafel met medische instrumenten en injectienaalden. Mevrouw Verschuren knipte de lamp aan, sloot de deur achter ons, liep naar de tafel en pakte zonder aarzelen een injectienaald, alsof ze precies wist welke ze hebben moest. Nu haar dwingende handen niet meer op mijn schouders rustten, stond ik eindelijk op uit de stoel.
‘Goed, mevrouw Verschuren…’
‘Dokter Verschuren.’
‘Dókter Verschuren,’ herhaalde ik korzelig.
Ze liep op me af met de injectienaald in haar hand. Er gleed een zweetdruppel over mijn rug, en ik deed behoedzaam een stapje naar achteren, mijn handen afwerend omhoog.
‘Nu is het mooi geweest. Het was een goede grap, ik heb hem zeer gewaardeerd. Ik begrijp tevens dat het een moeilijke situatie voor u is. Ik zal er dan ook alles aan doen…’
‘U zult helemaal niets meer doen, meneer Van Zijl.’
Ik draaide me naar Aafke, het zweet inmiddels ook op mijn voorhoofd, in de hoop op bijval. Zij zou haar moeder nu vast wel laten weten dat de grap onderhand lang genoeg had geduurd. In haar ogen zag ik echter geen begrip, enkel de reflectie van haar moeder die van achteren op mij afkwam. Nog voordat ik mij kon omdraaien, voelde ik een vlijmende pijn in mijn rechterarm, gemeen als een bijensteek. Geschokt staarde ik naar de plek waar de naald uitstak en voelde de huid eromheen intens warm worden. Alvorens ik het woord godverdomme kon uitspreken, draaiden mijn ogen weg en zakte ik op de grond. Alles werd zwart.

Het valt me zwaar dit verhaal te vertellen. De vernedering dit niet anoniem te kunnen opschrijven maar het te moeten dicteren aan een ander is fnuikend. Zoals de injectie mijn spieren voorgoed heeft aangetast, zo tast deze situatie mijn laatste beetje zelfrespect aan. Niet meer mijn eigen reet te kunnen afvegen doet de rest. En voor het geval u het zich afvraagt: niemand heeft mevrouw Verschuren, noch Aafke, ooit kunnen traceren.

Slapende voeten wakker maken

Slapende voeten wakker maken

Ik voel mijn benen en voeten niet meer. Of toch wel, ze prikken. Het is net of er mieren door mijn voeten kruipen. Ze kriebelen allemaal door elkaar en rennen heen en weer. Ze hebben een mierennest in mij gemaakt. Papa zegt dat je voeten dan slapen. Dat is raar, hoe kunnen die nou slapen?

Mijn benen zitten klem in de lichtgele zitzak. Ik wil eruit klimmen om ze wakker te maken, maar ik zak weg in de zak. Ik druk me op mijn handen omhoog, wiebel met mijn billen. Als ik beweeg zie ik kleine witte balletjes uit een heel klein gaatje rollen. Volgens mij zijn het er wel duizend. Mama noemt ze piepschuimpjes. Maar je kunt ze niet eten. Dat heb ik een keer geprobeerd en dat was vies. Ik probeer de balletjes te vangen, maar ze blijven plakken aan de gele zitzak. Als er een aan mijn vingers blijft kleven, knijp ik hem fijn tussen mijn nagels. Ik schiet hem weg, naar mijn grote broer Sam die net als ik in een zitzak tv zit te kijken. Mis. Hij kijkt niet op. Hij kijkt alleen maar.

We hebben ons vanochtend geschminkt en verkleed als clowns. Dat is grappig, want dan zie je er gek uit en we moesten heel hard lachen. Papa en mama ook. Sam zit net als ik met zijn benen in de zitzak gestoken. Zo zitten we altijd als we tv kijken. Het gaat eigenlijk vanzelf, we kruipen in een nestje. Het ziet er gek uit, net of hij vanaf zijn billen uit een oliebol steekt.

Ik heb dorst, maar durf niet naar de keuken. Daar zitten papa en mama. Ze maken ruzie. Dat weet ik, want mama schreeuwt. Papa roept godverdomme. Eigenlijk versta ik niet goed wat er op tv gezegd wordt. Ik hoor steeds de stemmen van papa en mama er doorheen. Soms praten ze zacht, soms schreeuwen ze, maar ik begrijp niet wat ze zeggen. Ik hoor alleen de naam van de buurvrouw. Ik kruip weer weg in de zitzak. In mijn eigen mierennest. Mijn voeten prikken. Ik heb dorst. Mijn neus jeukt. Ik veeg over mijn gezicht en schrik. Er zit een rode streep op mijn hand. Ik heb mijn lach weggeveegd. Het is zaterdag. Het is elke zaterdag.

Partij voor de Dieren

Partij voor de Dieren

Schijten moet ik. De hele ochtend al. Echt, wanneer schiet dat mens nou eens op. Denkt ze ook eens aan mij? Nee, eerst nog een bakkie koffie. Dan nog even naar de wc. Zij wel. Eigen poep eerst zeker. Lekker dan. Ik wiebel. Ik draai. Pakt ze eindelijk de riem, belt haar zuster. Nou, dan weet je het wel. Ondertussen begin ik rondjes te draaien om haar benen, maar daar heeft ze geen boodschap aan. Dag, ja, doei, hang nu maar op.

Daar gaan we dan. Ik schiet langs haar heen de stoep op, de behoefte neemt het voortouw. Ze trekt hard aan de riem, met een ruk kom ik tot stilstand. Ik begin een beetje te huppelen en te piepen, mag ik nou eindelijk? Hoezo moet ik me niet aanstellen? O nee, daar komt de buurvrouw. Dat duurt weer een uur. Ik houd het niet meer, draai rondjes om mijn as. Net als ik dan maar midden op de stoep wil gaan kakken, krijg ik weer een ruk. Niet hier?! Waar dan? En vooral wanneer?! Ik trek aan de lijn, richting het plantsoentje. Ruik het heerlijke geurtje van Benno al. Voordat ik met mijn snuit in al dat heerlijks kan snuffelen, sleept ze me de weg op. Mijn buik schuift over de koude grond. Nee, laat me! O god, ik houd het niet meer. Eerst stemmen, zegt ze. Hoezo eerst stemmen? Eerst poepen!

Sta ik daar nu te stuiteren in dat verdomde stemlokaal. Hier kan ik toch niet met goed fatsoen… Nergens een hoekje. Laat haar opschieten alsjeblieft. Ah, het rondje is rood. Mooi, kunnen we dan nu…? O, nog een biljet. Mensen alsjeblieft, ik sta te trillen op mijn pootjes. Schijtziek word ik hier van. Wat, een derde biljet? Ik kan niet meer, ik moet… de aandrang is te groot. Het gaat vanzelf, ik kan het niet meer tegenhouden. Daar gaat ie.

Een dame begint te gillen. Waar kan ik me verstoppen? Sorry mensen… echt. Ik heb het geprobeerd. En dat stemt Partij voor de Dieren.

Bron foto: ANP