Tag: kind

Sokken

Sokken

 ‘Mama?’

   ‘Ja, lieverd.’

   ‘Waarom is papa weg?’

We hangen samen de was op. Ik vind het leuk om de was op te hangen. Het ruikt lekker en ik mag de kledingstukken hard uitslaan. Ze draait zich om en kijkt me aan. Ze schudt haar hoofd. Normaal dansen haar blonde krullen dan om haar gezicht, maar vandaag hebben ze er geen zin in. Haar gezicht is net zo wit als het kussensloop dat ze in haar hand verfommelt. Ik had er net de kreukels uit geslagen. Terwijl ze over mijn hoofd aait glinsteren haar ogen een beetje. 

   ‘Papa is niet weggegaan. Ik ben weggegaan.’

Ik denk na.

   ‘Maar jij bent nog hier.’

   ‘Ja ik ben hier. Maar ik wilde dat papa wegging.’

   ‘Maar waarom dan?’

   ‘Soms groeien mensen uit elkaar.’

Ik kijk naar een blauwgrijs gestreepte sok in mijn hand. 

   ‘Begrijp je dat?’

Ik snap er helemaal niks van.

   ‘Soms zijn mensen niet meer verliefd op elkaar.’

In de sok zit een gat. Ik steek mijn hand in de sok en mijn vinger door het gat. Het blauwgrijs gestreepte vingerdier draait zijn kop naar me toe en beweegt zijn lange slurf. Hij peutert in mijn neus.

   ‘Net als toen met Sterre, mama? Die zei ze me niet meer leuk vond.’

   ‘Ja, het is net zoiets als toen met Sterre.’ 

Ik trek het blauwgrijs gestreepte vingerdier het vel over de oren en schud zijn huid uit. Ik rommel in de wasmand. De andere sok vind ik niet. 

   ‘Kijk maar even in de wasmachine,’ zegt mijn moeder. ‘Misschien zit hij daar nog in.’

Ik loop naar de wasmachine en stop mijn hand erin. Ik laat de trommel draaien. Mijn vingers glijden over het gladde en tegelijk bobbelige oppervlak. Misschien is het met sokken net zo. Dat de ene sok niet meer verliefd is op de andere. 

Photo by Jisu Han on Unsplash

Goede moeder

Goede moeder

Heet, lichtgroen water gutst over Saskia’s broek.
‘Au, god-’ Saskia wrijft over haar been. ‘Dit was de enige waar nog geen vlekken op zaten.’
‘Het is maar water,’ zegt Floor, terwijl Saskia de bos munt in het glas op en neer beweegt alsof ze de vaat sopt. ‘Dat geeft geen vlekken.’
‘Blij dat ik zit.’ Saskia neem een voorzichtige slok. ‘Fijn dat we iets later konden afspreken. Goed om je te zien zeg. Zo lang geleden alweer.’
‘Hectisch zeker, thuis?’ Floor neemt een grote teug bier en kijkt met een schuin oog naar Saskia’s muntthee. Had ze ook thee moeten nemen? Met zo’n stuk gember erin. Schijnt gezond te zijn. Nah. ‘Hoe is het met Abeltje? Je geeft zeker nog borstvoeding?’ zegt Floor, en knikt naar de groene thee.
‘Al een tijdje niet meer, de melk liep terug. Alles geprobeerd, maar het wilde niet meer. Echt balen. Voel me zo schuldig. Daarom is het ook zo fijn dat we wat later konden afspreken. Ik wilde hem dan in elk geval in bed leggen. Dat is ontzettend belangrijk in mijn leven.’
‘Ik ben blij als ik ze eens niet in bed hoeft te leggen. Waarom denk je dat ik hier al zit?’ grijnst Floor. Ze heeft twee bier op en niet tegen Joris gezegd dat ze pas later met Saskia had afgesproken. Ze is gekke Henkie niet. ‘Maar wacht even, Sas. Je voelt je schuldig omdat je geen borstvoeding meer kan geven?’
‘Dat is toch het beste wat je hem kan geven? En als je lichaam dan niet meedoet…’
‘Daar hebben ze een uitvinding voor gedaan, al een hele tijd geleden: de fles geven heet dat.’
‘Dat is toch niet hetzelfde.’
‘Ze gaan er heus niet dood van. Kijk maar naar die van mij, niet kapot te krijgen.’
‘Ik vind het gewoon superbelangrijk dat Abel moedermelk krijgt. Het helpt tegen allergieën, en tegen astma en…’
‘Ja, ja.’ Floor wuift met haar hand de woorden van Saskia weg. Ze staat op om nog een biertje te bestellen.
‘Jij ook een?’
‘Nog een muntthee graag.’
Wanneer is Saskia zo’n muts geworden? Floor duwt haar een bokbier onder de neus.
‘Hier, dit is goed voor je relativeringsvermogen. Had je vroegâh ook nooit problemen mee.’
Saskia kijkt alsof Floor haar een stuk rotte vis voorzet en schuift het glas een stukje opzij.
‘Ik wil gewoon een echte moeder zijn. Dat is ontzettend belangrijk voor me.’
Floor knippert met haar ogen, ze krijgt het warm en koud tegelijk. Zegt ze dat echt?
‘Ik ga een peuk roken.’
Floor staat op en loopt naar buiten, inhaleert de rook diep, zo diep mogelijk, totdat haar longen branden. Totdat alle shit verschroeit. Dan maar geen goede moeder, denkt ze. Dat is ontzéttend belangrijk voor me.

Foto:Photo by Anastasia Vityukova on Unsplash

Spreekbeurt

Spreekbeurt

Dagen had ik aan mijn spreekbeurt gewerkt. Ik was naar de bibliotheek geweest, had tientallen boeken opgezocht, tekeningen gemaakt en foto’s gekopieerd. Minutieus had ik alles in mijn nette, schoolse handschrift opgeschreven, de hoofdstuktitels met gekleurde viltstift onderstreept – elk hoofdstuk een andere kleur, de paragrafen per hoofdstuk bijpassend. Ik had het ook op de computer kunnen maken, maar gaf de voorkeur aan schrijven met de hand. Ik houd van het geruststellende gevoel van een goede balpen die zachtjes krassend over het papier schaatst, de letters krullen op het ijs. Ik leg er altijd een paar extra blaadjes onder, een matrasje voor mijn werk dat de grootste schokken opvangt. Toen al.

Duizend keer had ik mijn vader om advies gevraagd. Papa, hoeveel patiënten heb jij? En hoeveel komen er per dag? Papa, wat kost het om je oren te laten uitspuiten? Hoe voelt dat? En wat als ze dat niet kunnen betalen? Duizend keer had mijn vader geduldig antwoord gegeven. Toen hij vroeg of hij het mocht lezen gaf ik geen sjoege. Hij lachte en kneep me in mijn wang. Het zijne was het enige oordeel dat telde, daarom moest ik eerst op school uitproberen of het goed genoeg was.

Het was goed genoeg. Die middag, een dag waarop de wind de bomen uitkleedde, holde ik vanuit school naar huis om het hem te laten zien, mijn rugtas met daarin de brandend rode 9,5 op de voorkant van mijn werkstuk en een stikker van de juf tegen mijn benen botsend. Hijgend rende ik het tuinpad op, duwde de zware houten deur open en liep de trap af naar de i het souterrain gevestigde praktijk.

Normaal gesproken wanneer ik uit school kwam, zat mijn vader in zijn witte jas aan zijn bureau in de spreekkamer te werken. Naast het toetsenbord stond altijd een kop koffie, die met ‘I hartje mama’ erop. Zijn patiënten waren dan al naar huis; Joke, de assistente, ook. Ik had aangenomen dat de wachtkamer leeg was. Dat was ook zo. Ik had aangenomen dat hij achter zijn bureau zou zitten met zijn kop koffie. Dat was niet zo. Toen ik vol verwachting de wachtkamer betrad en naar de deur van half gesloten de spreekkamer liep, hoorde ik een zacht gesteun. Daarna een gilletje. Ik wilde mij al omdraaien omdat ik dacht dat er een verlate patiënt in de spreekkamer was en het mij ten strengste verboden was om in de praktijk rond te hangen als er bezoek was, toen er na nog meer gekreun een duidelijk ‘O mijn god, Pieter!’ klonk. Dat leek niet op een patiënt die een griepprik kreeg of wiens voetwratten werden aangestipt. Met het hart in de keel en gespitste oren sloop ik heel zachtjes naar de deur. Wat mij ertoe bewoog om tegen alle regels in de deur te openen en het risico te lopen me de toorn van mijn vader op de hals te halen, is me nu nog steeds niet helemaal duidelijk. Hoewel ik op die leeftijd van toeten noch blazen wist, had ik misschien al wel een vermoeden van wat er aan de hand kon zijn. En ik mocht dan een uiterst braaf kind zijn, ik was ook bijzonder nieuwsgierig. Hoe dan ook, er gierde opwinding door mijn keel en ik kreeg een zwaar en kriebelig gevoel in mijn onderlijf dat ik nog niet eerder had ervaren.

Behoedzaam duwde ik de deur naar de spreekkamer open. Eerst begreep ik niet wat ik zag, probeerde wijs te worden uit de kluwen bewegende ledematen van de naakte achtarmige octopus die voor me op de onderzoekstafel deinde. Totdat ik in de wirwar van bloot vlees mijn vader herkende. Hij stond tegen de tafel geleund en maakte stotende bewegingen. Alsof ik door een caleidoscoop naar het tafereel keek waarbij elk stukje driedubbel gekleurd uit alle hoeken op me af kwam en zich eindeloos herhaalde drongen alle beelden en geluiden versterkt bij me binnen. Naakte, bleke billen die schokkerig lilden. Een zwarte broek op half zeven. Getingel van de gesp van zijn donkerbruine leren riem. Het gekrijs van het ijzeren onderstel van de onderzoekstafel. Het ritmisch bonken ervan tegen de muur. Het stoffige laagje wit stuc op de vloer eronder. Vingers die zich om de rand van de tafel klemden. Nog meer kreunen en zuchten. Een zweetdruppel die langs een harige bilnaad gleed. Maar het beeld dat me het meeste schokte was dat van de roze gelakte teennagels in sierlijke zilverkleurige sandaaltjes met een elegant hakje. Mijn moeder droeg nooit nagellak.

Zachtjes sloot ik de deur en rende zo hard als ik durfde zonder geluid te maken naar mijn kamer. Een half uur later kwam mijn vader binnen, maar niet voordat hij op de deur had geklopt, wat hij anders nooit deed. Hij was keurig aangekleed met een messcherpe vouw in zijn zwarte broek, had zijn witte doktersjas aan en de stethoscoop om zijn nek. Even wreef hij over zijn hals terwijl hij me peinzend aankeek, diepte toen een tientje uit zijn broekzak en gaf het aan mij.
‘Koop hier maar wat lekkers voor.’ Bij de deur draaide hij zich nog even om. ‘En niets tegen je moeder zeggen.’

Mijn spreekbeurt kwam nooit meer ter sprake.

 

Photo by Marcelo Leal on Unsplash

Grondverf

Grondverf

Ik zit op mijn werk, mijn hoofd loopt om van de deadlines en de mails met vragen van schrijvers. Kind is alleen thuis vandaag, want studiedag. Mijn telefoon gaat.

‘Mam, mag ik de vloer van mijn kamer schilderen?’

Ik zit nog met mijn hoofd bij een schrijver die het niet lukt om in te loggen.

‘Sorry, wat zeg je?’
‘Ik wil de vloer van mijn kamer schilderen.’
‘Eh nou, dat lijkt me niet zo’n goed idee.’
‘Waarom niet. Ik heb hier twee potten, moet ik die grondverf gebruiken?’
‘Grondverf is een onderlaag voor verf, dat is niet voor op de grond.’
‘O, dan gebruik ik de muurverf.’
‘Wacht even, nee, het is geen goed idee om dat nu te doen. Muurverf is ook niet geschikt. Dat is voor de muur, niet voor een houten vloer.’
‘Maar dat maakt toch niet uit.’
‘Schat, ik vind het niet goed. Er komt wat meer bij kijken dan alleen verf op de vloer smeren en ik ben aan het werk. Ik kan nu niet…’
‘Hoezo mag dat nou weer niet. Ik weet niet wat ik anders moet doen!’
‘Ik snap dat je je verveelt en ik vind het op zich een leuk idee, maar niet nu. Ik kan je niet zo door de telefoon even uitleggen hoe je de vloer moet schilderen.’
‘Jezus, màm, ik verveel me! Wat moet ik dan doen!’

Ik hoor dat ze met haar ogen rolt.

‘Lieverd, ik heb hier echt geen tijd voor nu. We gaan het een andere keer samen doen en dan bereiden we het goed voor. Al je meubels moeten eruit en…’
‘Ja maar ik weet niet wat ik dan moet doen!’
‘Ga dan die servetten naaien die er al maanden liggen. Dat wilde je toch zo graag?’
‘Ja daaag, dat ga ik echt niet doen. Niet voor jou!’
‘Dan niet, maar ik moet nu weer aan het w…’

Boos hangt ze op. Tien seconden later belt ze terug.

‘Mam, doe niet zo flauw, waarom mag het nou niet?’
‘Het mag niet. En ik ben nu aan het werk. Ik heb hier geen tijd voor.’

Ze hangt weer op. Belt nog drie keer terug. Ik neem niet op. Ik heb mijn deadlines niet gehaald. Mijn hoofd zat nog in de grondverf.

 

Photo by RhondaK Native Florida Folk Artist on Unsplash

Zondagmiddag

Zondagmiddag

Ik gilde. De worm hing kronkelend voor mijn neus en Edwin hield me met een hand in de houdgreep, terwijl hij met de andere het naakte, piemelige beest bij mijn gezicht hield. Edwin was net zo verschrikkelijk als zijn naam. Zijn zusje, met de al even vreselijke naam Paola, stond er schaapachtig bij te grijnzen. Ze had een veel kleinere kamer dan ik maar wel een feloranje pluche kleedje op de vloer. Toch vond ik haar stom. Zeker nu ze met hem mee stond te lachen in plaats van mij te helpen. Alsof hij tegen haar zo aardig was.

Edwin greep de hals van mijn T-shirt beet, trok die open en gooide de worm naar binnen. Ik gilde nog een keer en begon te huilen. Het laatste wat ik wilde was om hem janken waar hij bij stond, maar ik kon er niets aan doen. Ik had een broertje dood aan regenwormen, meer nog dan aan hem. Hij liet me los, gaf me een duw en zei stoer dat ik me niet zo aan moest stellen, en dat hij hem heus niet echt in mijn shirt had gegooid.

Ik rende naar binnen, waar ik reine-claudesiroop van mijn moeder kreeg en snikkend vertelde wat hij had gedaan. Ik hield niet van reine claude, het was veel te groen, maar toch dronk ik het op. Ze aaide me over mijn hoofd en fluisterde in mijn oor: wat een stom rotjoch. Ik lachte door mijn tranen heen.

Later krabde ik op mijn buik. Het jeukte. Ik krabde nog een keer. Toen deed ik mijn T-shirt omhoog. De worm kronkelde op mijn buik en ik gilde.

Schat

Schat

Zachtjes sluipen we de trap af in fluwelen pyjamaatjes. De treden kraken en voelen koud aan onze blote voeten. Het begint al een beetje licht te worden, maar het huis slaapt nog. De stilte drukt op mijn oren. In de woonkamer zijn de bruine ribfluwelen gordijnen gesloten, de schemer werpt vreemde schaduwen op de vloer en de muren. Ze bewegen. Of niet? Lange grijpgrage armen die me willen pakken. Ik klem me dicht tegen broer aan. Hij is niet bang, dat weet ik zeker, het trillen komt van de kou. De schaduwen graaien naar mijn voeten en ik spring snel op de bank, trek mijn knieën hoog op en grijp het paarse kussen. Mijn schild tegen de schimmen.

Broer gaat op zoek. Achter de grote vingerplant in de hoek bij het raam, achter de gordijnen. Doordat hij ze een stukje wegtrekt springen de schaduwen opzij, op mij af. Ik kruip weg tegen de rugleuning van de bank, verstop mijn hoofd onder het kussen. Met een oog kijk ik er onderdoor. Heeft hij het al gevonden? Hij snuffelt tussen de theekopjes in het glazen kastje, hij speurt onder de bank. Daar vindt hij alleen een grote pluk stof. Hij blaast hem van zijn vingers, het dwarrelt op het rotan salontafeltje waar het nog even blijft wiegen. De donkere schaduwen lijken zich eroverheen te buigen, het schaapje op te willen slokken. Ik ril.

Zelfs in de boekenkast, waar mijn lievelingsboek van Richard Scarry staat, ligt niet wat we zoeken. De schaduwen komen dichterbij, als hij onze schat niet snel vindt, zullen ze ons grijpen en meeslepen naar hun hol, dan zijn wij hun schat.
‘Schiet op,’ fluister ik zo hard mogelijk.
‘Ik kan het niet vinden.’
‘Misschien onder de kussens van de bank?’
‘Kijk jij dan.’
‘Ik durf niet!’ Ik kruip nog verder weg in de hoek van de bank.
Broer zucht en begint de kussens op te tillen. Dan zitten we allebei heel stil, oren gespitst. Gemorrel aan de voordeur. Stemmen. Ik wil gillen, maar broer slaat zijn hand voor mijn mond. De stemmen klinken als schor gefluister, ik hoor iemand akelig lachen, dan de voordeur die open gaat en de schaduwen worden zwarter dan zwart en beginnen zich los te maken van de muur, ze schuiven langzaam met lange, benige vingers over de vloer naar ons toe en laten donkere vlekken achter op het tapijt.

Broer trekt me achter de bank en samen liggen we met bonkend hart te luisteren totdat ze ons komen halen. Het is zover. Ik weet het zeker. We hebben verloren. De knarsende stemmen klinken nu in de gang, bibberend zitten we te wachten tot ijskoude handen ons in de lurven grijpen. Ik piep. Broer slaat onhandig zijn armen om me heen en ik schrik, zijn armen zijn helemaal zwart en als ik naar mezelf kijk zie ik dat een schaduw zich om mijn been heeft geslingerd en het steeds donkerder kleurt, alsof de vlek die ik laatst op school had gemaakt met Oost-Indische inkt zich verspreidt door mijn aderen en mijn bloed en daarmee mijn huid zwart verft. Hard wrijf ik over mijn benen om het af te vegen, zo hard dat het schuurt en schrijnt, weg wil ik het zwart, maar het verdwijnt niet en dan probeer ik onder de bank te schuiven, ze mogen me niet vinden.

Terwijl ik met een dikke, strakgetrokken keel half onder de bank geklemd lig, stoot ik ergens tegenaan. Een doosje rozijntjes schuift over de vloer, een mandarijntje rolt erachteraan. Mijn arm strekt zich als vanzelf uit om het tegen te houden. Wit. Mijn huid is weer gewoon melkwit.

Oplosmoeder

Oplosmoeder

Er waren kinderen die de hele dag door riepen: mama! Waar is… Hoe moet ik… Mag ik… Kun jij… Wil jij… Waarom moet ik…

Er was een man die riep: liefje! Waar is… Hoe moet ik… We moeten… Kun jij… Wil jij… Weet jij…

Er was een moeder die dacht: En wat als ik er niet meer was? Ik ben een oplosmoeder. En langzaam loste ze op.

Slapende voeten wakker maken

Slapende voeten wakker maken

Ik voel mijn benen en voeten niet meer. Of toch wel, ze prikken. Het is net of er mieren door mijn voeten kruipen. Ze kriebelen allemaal door elkaar en rennen heen en weer. Ze hebben een mierennest in mij gemaakt. Papa zegt dat je voeten dan slapen. Dat is raar, hoe kunnen die nou slapen?

Mijn benen zitten klem in de lichtgele zitzak. Ik wil eruit klimmen om ze wakker te maken, maar ik zak weg in de zak. Ik druk me op mijn handen omhoog, wiebel met mijn billen. Als ik beweeg zie ik kleine witte balletjes uit een heel klein gaatje rollen. Volgens mij zijn het er wel duizend. Mama noemt ze piepschuimpjes. Maar je kunt ze niet eten. Dat heb ik een keer geprobeerd en dat was vies. Ik probeer de balletjes te vangen, maar ze blijven plakken aan de gele zitzak. Als er een aan mijn vingers blijft kleven, knijp ik hem fijn tussen mijn nagels. Ik schiet hem weg, naar mijn grote broer Sam die net als ik in een zitzak tv zit te kijken. Mis. Hij kijkt niet op. Hij kijkt alleen maar.

We hebben ons vanochtend geschminkt en verkleed als clowns. Dat is grappig, want dan zie je er gek uit en we moesten heel hard lachen. Papa en mama ook. Sam zit net als ik met zijn benen in de zitzak gestoken. Zo zitten we altijd als we tv kijken. Het gaat eigenlijk vanzelf, we kruipen in een nestje. Het ziet er gek uit, net of hij vanaf zijn billen uit een oliebol steekt.

Ik heb dorst, maar durf niet naar de keuken. Daar zitten papa en mama. Ze maken ruzie. Dat weet ik, want mama schreeuwt. Papa roept godverdomme. Eigenlijk versta ik niet goed wat er op tv gezegd wordt. Ik hoor steeds de stemmen van papa en mama er doorheen. Soms praten ze zacht, soms schreeuwen ze, maar ik begrijp niet wat ze zeggen. Ik hoor alleen de naam van de buurvrouw. Ik kruip weer weg in de zitzak. In mijn eigen mierennest. Mijn voeten prikken. Ik heb dorst. Mijn neus jeukt. Ik veeg over mijn gezicht en schrik. Er zit een rode streep op mijn hand. Ik heb mijn lach weggeveegd. Het is zaterdag. Het is elke zaterdag.

De eerstgeborene

De eerstgeborene

Hij sloeg in als een bom, mijn eerstgeborene. Of, zoals ik het nu graag verwoord voor iedereen die, liefst voor het eerst, zwanger is: “I had no idea what hit me.” Ik was zelf nog een kind, ook al was ik dertig en hij uiterst gewenst. Hij heeft het alleen niet getroffen met ons, zijn ouders. Dat arme joch.

De verantwoordelijkheid voor een pasgeborene is een door de bliksem gevelde eik waaronder je nietsvermoedend wordt geplet. Je hand steekt er nog net onderuit om zijn zachte garnalenvingertjes vast te houden en dat smakkende rozenmondje te voeden. De spiegel die hij je voorhoudt is grotesker dan een lachspiegel op de kermis. Daar sta je dan naar jezelf te kijken hoe je, naakt in al je onvolkomenheden, potsierlijk ploetert om een onschuldig schepsel een onbezorgde jeugd te geven.

Als ouder ben je in een klap volwassen. Kun je je daarop voorbereiden? Nee. We doen ons best, daar ligt het niet aan. En aan liefde ook heus geen gebrek. Maar de trillingen van de inslag zijn nog voelbaar, en resoneren door tot zijn eigen jeugd voorbij is en hij zelf vader wordt.