Tag: jagen

Jachtpijn

Jachtpijn

Doodstil zat hij. Adem vloeide in door zijn neus en deden zijn neusharen trillen, het rook naar aarde. De uitademing voelde warm op zijn lippen. In slow motion begon de duisternis op te trekken, de vage contouren van de dennen tekenden zich als stramme soldaten af aan de overkant van de verlaten weide. Stekelige takjes prikten in zijn nek en rug, het struikgewas bood beschutting maar was onaangenaam. Zeker na een paar uur zitten. Zijn ellebogen steunden op een knie en in zijn handen lag het geweer, het leunde licht tegen zijn schouder. De andere knie lag in het vochtige gras, doorweekt, onontkoombaar greep de donkere plek om zich heen. Vanaf zijn enkel klom een beestje, een mier misschien, door de pijp van zijn afritsbroek langs de binnenkant van zijn dijbeen naar boven en maakte vervolgens een wandelingetje langs zijn bilspleet. Het gekriebel bracht aangename rillingen teweeg, maar hij liet zich niet afleiden. 

     Hoe gespannener je bent, hoe eerder ze je in de smiezen hebben, ze voelen elke spierspanning van een potentiële vijand. Hij negeerde de kramp in zijn linkervoet. Vreemd hoeveel geluiden er klonken in het halfdonker. Een uil. Geritsel, van een woelmuis op de grond of de wind door de bladeren in de bomen. Hij luisterde naar de schemer, verplaatste toch even zijn voet.

     ‘Moet ik de pan alvast klaarzetten en de uien schillen?’ had Ineke gisteravond gevraagd. Hij kon er niet om lachen. Hij wilde nu eenmaal een keer in zijn leven weten hoe het was om een dier te doden. Een echt beest, een zoogdier. Om de jachtpijn te voelen, zoals Ben het noemde. Die gordiaanse knoop van triomf en leed die het doden van een levend wezen met zich meebrengt, puur en alleen voor jouw genot. Het schuldgevoel dat zou samenvloeien met de smaak van de overwinning.

     Daar! Vrijwel onzichtbaar maakte een schaduw zich los van de bosrand. Een reebokje, een jaarling. Geluidloos hief hij het jachtgeweer en keek door het vizier, de wijsvinger gespannen om de trekker. De ree stond aan de rand van het veld, het kopje behoedzaam geheven. Vijfentwintig meter schatte hij. Nog net zag hij de oortjes van links naar rechts bewegen. Hij zoog zijn adem naar binnen, spande zijn buikspieren en haalde de trekker over. Het schot reet de stilte uiteen, de terugslag van het geweer kwam toch nog onverwacht, evenals de zwerm vogels die opfladderde uit de eik links van hem. Het deed zijn ballen krimpen. Een fractie van een seconde verduisterde de eksterzee de lichter wordende hemel. Toen liet hij het wapen zakken, en legde het met bevende handen in het gras. 

     De weergekeerde stilte strekte zich uit over het landschap, alleen zijn hart en hoofd bonsden gelijktijdig toen hij om zich heen keek naar de onbeweeglijke omgeving. Hij wachtte op iets, maar wist niet goed wat. Applaus. Boe-geroep. Iets. Niet deze … desolaatheid. Hij deed een paar stappen naar voren, wankelend als een dronken boer en dacht aan Ineke, die wachtte met de uien. Hij zette nog een paar passen, het bloed begon weer te stromen en zijn benen kregen hun gevoel weer terug. Met de rugzak en het geweer liep hij over het open veld naar de bosrand waar het dier had gestaan, niet eens zeker of hij het had geraakt. Hij voelde zich naakt en bespied. Hij begon te rennen. 

     De bloedsporen in het gras leidden hem er vanzelf naartoe, naar de plaats delict. Het dier had zich nog enkele meters weg weten te slepen en was toen tussen de dennenbomen in elkaar gezakt. De buik was voor de helft opengereten, er droop een mengsel van glanzende ingewanden en bloed uit, er zaten al vliegen op. De fluwelige bruine oren waren wit behaard aan de binnenkant, de donkere ogen blind voor zijn moordenaar. Ze deden hem denken aan de zijne als hij in de spiegel keek en hij draaide zich om en gaf over. 

     Zijn handen trilden nog altijd toen hij een slok water uit de veldfles nam. Hij ging naast de kop van het dier zitten, legde deze op zijn schoot en aaide de zachte vacht van de neus. Stelde zich hem voor boven de bank, op een gelakt houten bord gespijkerd, hem voor altijd aanstarend met glazen ogen. Hij telde het aantal vogels dat overvloog en probeerde niet te kijken naar de vliegen die zich verzamelden bij het bloederige gat, niet te luisteren naar het gonzen in zijn oren. Toen de zon de bomen begon te beschijnen en in de verte een kerkklok luidde, stond hij op, stopte het geweer in de rugzak en ging.

In de schemer van de slaapkamer kleedde hij zich uit en schoof naast Ineke in het warme bed. Ze kreunde een beetje en draaide zich naar hem om. Hij aaide de gladde huid van haar neus, keek naar het dons op haar wangen, telde het aantal ademteugen dat vervloog en probeerde niet te luisteren naar de vlieg die zoemde achter het gordijn. Zijn vingers gleden langs haar wangen naar beneden en streelden haar nek, haar rug, buik, benen en billen, ze werd wakker en probeerde hem van zich af te duwen, hij klemde zich aan haar vast, dit dier, dit zoogdier, hij wilde het. Toen stortte hij zich op haar en zoog aan haar borsten als een hongerig kind en huilde en kwam klaar tegelijk.

Photo by Scott Carroll on Unsplash