Spreekbeurt

Spreekbeurt

Dagen had ik aan mijn spreekbeurt gewerkt. Ik was naar de bibliotheek geweest, had tientallen boeken opgezocht, tekeningen gemaakt en foto’s gekopieerd. Minutieus had ik alles in mijn nette, schoolse handschrift opgeschreven, de hoofdstuktitels met gekleurde viltstift onderstreept – elk hoofdstuk een andere kleur, de paragrafen per hoofdstuk bijpassend. Ik had het ook op de computer kunnen maken, maar gaf de voorkeur aan schrijven met de hand. Ik houd van het geruststellende gevoel van een goede balpen die zachtjes krassend over het papier schaatst, de letters krullen op het ijs. Ik leg er altijd een paar extra blaadjes onder, een matrasje voor mijn werk dat de grootste schokken opvangt. Toen al.

Duizend keer had ik mijn vader om advies gevraagd. Papa, hoeveel patiënten heb jij? En hoeveel komen er per dag? Papa, wat kost het om je oren te laten uitspuiten? Hoe voelt dat? En wat als ze dat niet kunnen betalen? Duizend keer had mijn vader geduldig antwoord gegeven. Toen hij vroeg of hij het mocht lezen gaf ik geen sjoege. Hij lachte en kneep me in mijn wang. Het zijne was het enige oordeel dat telde, daarom moest ik eerst op school uitproberen of het goed genoeg was.

Het was goed genoeg. Die middag, een dag waarop de wind de bomen uitkleedde, holde ik vanuit school naar huis om het hem te laten zien, mijn rugtas met daarin de brandend rode 9,5 op de voorkant van mijn werkstuk en een stikker van de juf tegen mijn benen botsend. Hijgend rende ik het tuinpad op, duwde de zware houten deur open en liep de trap af naar de i het souterrain gevestigde praktijk.

Normaal gesproken wanneer ik uit school kwam, zat mijn vader in zijn witte jas aan zijn bureau in de spreekkamer te werken. Naast het toetsenbord stond altijd een kop koffie, die met ‘I hartje mama’ erop. Zijn patiënten waren dan al naar huis; Joke, de assistente, ook. Ik had aangenomen dat de wachtkamer leeg was. Dat was ook zo. Ik had aangenomen dat hij achter zijn bureau zou zitten met zijn kop koffie. Dat was niet zo. Toen ik vol verwachting de wachtkamer betrad en naar de deur van half gesloten de spreekkamer liep, hoorde ik een zacht gesteun. Daarna een gilletje. Ik wilde mij al omdraaien omdat ik dacht dat er een verlate patiënt in de spreekkamer was en het mij ten strengste verboden was om in de praktijk rond te hangen als er bezoek was, toen er na nog meer gekreun een duidelijk ‘O mijn god, Pieter!’ klonk. Dat leek niet op een patiënt die een griepprik kreeg of wiens voetwratten werden aangestipt. Met het hart in de keel en gespitste oren sloop ik heel zachtjes naar de deur. Wat mij ertoe bewoog om tegen alle regels in de deur te openen en het risico te lopen me de toorn van mijn vader op de hals te halen, is me nu nog steeds niet helemaal duidelijk. Hoewel ik op die leeftijd van toeten noch blazen wist, had ik misschien al wel een vermoeden van wat er aan de hand kon zijn. En ik mocht dan een uiterst braaf kind zijn, ik was ook bijzonder nieuwsgierig. Hoe dan ook, er gierde opwinding door mijn keel en ik kreeg een zwaar en kriebelig gevoel in mijn onderlijf dat ik nog niet eerder had ervaren.

Behoedzaam duwde ik de deur naar de spreekkamer open. Eerst begreep ik niet wat ik zag, probeerde wijs te worden uit de kluwen bewegende ledematen van de naakte achtarmige octopus die voor me op de onderzoekstafel deinde. Totdat ik in de wirwar van bloot vlees mijn vader herkende. Hij stond tegen de tafel geleund en maakte stotende bewegingen. Alsof ik door een caleidoscoop naar het tafereel keek waarbij elk stukje driedubbel gekleurd uit alle hoeken op me af kwam en zich eindeloos herhaalde drongen alle beelden en geluiden versterkt bij me binnen. Naakte, bleke billen die schokkerig lilden. Een zwarte broek op half zeven. Getingel van de gesp van zijn donkerbruine leren riem. Het gekrijs van het ijzeren onderstel van de onderzoekstafel. Het ritmisch bonken ervan tegen de muur. Het stoffige laagje wit stuc op de vloer eronder. Vingers die zich om de rand van de tafel klemden. Nog meer kreunen en zuchten. Een zweetdruppel die langs een harige bilnaad gleed. Maar het beeld dat me het meeste schokte was dat van de roze gelakte teennagels in sierlijke zilverkleurige sandaaltjes met een elegant hakje. Mijn moeder droeg nooit nagellak.

Zachtjes sloot ik de deur en rende zo hard als ik durfde zonder geluid te maken naar mijn kamer. Een half uur later kwam mijn vader binnen, maar niet voordat hij op de deur had geklopt, wat hij anders nooit deed. Hij was keurig aangekleed met een messcherpe vouw in zijn zwarte broek, had zijn witte doktersjas aan en de stethoscoop om zijn nek. Even wreef hij over zijn hals terwijl hij me peinzend aankeek, diepte toen een tientje uit zijn broekzak en gaf het aan mij.
‘Koop hier maar wat lekkers voor.’ Bij de deur draaide hij zich nog even om. ‘En niets tegen je moeder zeggen.’

Mijn spreekbeurt kwam nooit meer ter sprake.

 

Photo by Marcelo Leal on Unsplash

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *