Schat

Schat

Zachtjes sluipen we de trap af in fluwelen pyjamaatjes. De treden kraken en voelen koud aan onze blote voeten. Het begint al een beetje licht te worden, maar het huis slaapt nog. De stilte drukt op mijn oren. In de woonkamer zijn de bruine ribfluwelen gordijnen gesloten, de schemer werpt vreemde schaduwen op de vloer en de muren. Ze bewegen. Of niet? Lange grijpgrage armen die me willen pakken. Ik klem me dicht tegen broer aan. Hij is niet bang, dat weet ik zeker, het trillen komt van de kou. De schaduwen graaien naar mijn voeten en ik spring snel op de bank, trek mijn knieën hoog op en grijp het paarse kussen. Mijn schild tegen de schimmen.

Broer gaat op zoek. Achter de grote vingerplant in de hoek bij het raam, achter de gordijnen. Doordat hij ze een stukje wegtrekt springen de schaduwen opzij, op mij af. Ik kruip weg tegen de rugleuning van de bank, verstop mijn hoofd onder het kussen. Met een oog kijk ik er onderdoor. Heeft hij het al gevonden? Hij snuffelt tussen de theekopjes in het glazen kastje, hij speurt onder de bank. Daar vindt hij alleen een grote pluk stof. Hij blaast hem van zijn vingers, het dwarrelt op het rotan salontafeltje waar het nog even blijft wiegen. De donkere schaduwen lijken zich eroverheen te buigen, het schaapje op te willen slokken. Ik ril.

Zelfs in de boekenkast, waar mijn lievelingsboek van Richard Scarry staat, ligt niet wat we zoeken. De schaduwen komen dichterbij, als hij onze schat niet snel vindt, zullen ze ons grijpen en meeslepen naar hun hol, dan zijn wij hun schat.
‘Schiet op,’ fluister ik zo hard mogelijk.
‘Ik kan het niet vinden.’
‘Misschien onder de kussens van de bank?’
‘Kijk jij dan.’
‘Ik durf niet!’ Ik kruip nog verder weg in de hoek van de bank.
Broer zucht en begint de kussens op te tillen. Dan zitten we allebei heel stil, oren gespitst. Gemorrel aan de voordeur. Stemmen. Ik wil gillen, maar broer slaat zijn hand voor mijn mond. De stemmen klinken als schor gefluister, ik hoor iemand akelig lachen, dan de voordeur die open gaat en de schaduwen worden zwarter dan zwart en beginnen zich los te maken van de muur, ze schuiven langzaam met lange, benige vingers over de vloer naar ons toe en laten donkere vlekken achter op het tapijt.

Broer trekt me achter de bank en samen liggen we met bonkend hart te luisteren totdat ze ons komen halen. Het is zover. Ik weet het zeker. We hebben verloren. De knarsende stemmen klinken nu in de gang, bibberend zitten we te wachten tot ijskoude handen ons in de lurven grijpen. Ik piep. Broer slaat onhandig zijn armen om me heen en ik schrik, zijn armen zijn helemaal zwart en als ik naar mezelf kijk zie ik dat een schaduw zich om mijn been heeft geslingerd en het steeds donkerder kleurt, alsof de vlek die ik laatst op school had gemaakt met Oost-Indische inkt zich verspreidt door mijn aderen en mijn bloed en daarmee mijn huid zwart verft. Hard wrijf ik over mijn benen om het af te vegen, zo hard dat het schuurt en schrijnt, weg wil ik het zwart, maar het verdwijnt niet en dan probeer ik onder de bank te schuiven, ze mogen me niet vinden.

Terwijl ik met een dikke, strakgetrokken keel half onder de bank geklemd lig, stoot ik ergens tegenaan. Een doosje rozijntjes schuift over de vloer, een mandarijntje rolt erachteraan. Mijn arm strekt zich als vanzelf uit om het tegen te houden. Wit. Mijn huid is weer gewoon melkwit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *