Categorie: Essays

De eerstgeborene

De eerstgeborene

Hij sloeg in als een bom, mijn eerstgeborene. Of, zoals ik het nu graag verwoord voor iedereen die, liefst voor het eerst, zwanger is: “I had no idea what hit me.” Ik was zelf nog een kind, ook al was ik dertig en hij uiterst gewenst. Hij heeft het alleen niet getroffen met ons, zijn ouders. Dat arme joch.

De verantwoordelijkheid voor een pasgeborene is een door de bliksem gevelde eik waaronder je nietsvermoedend wordt geplet. Je hand steekt er nog net onderuit om zijn zachte garnalenvingertjes vast te houden en dat smakkende rozenmondje te voeden. De spiegel die hij je voorhoudt is grotesker dan een lachspiegel op de kermis. Daar sta je dan naar jezelf te kijken hoe je, naakt in al je onvolkomenheden, potsierlijk ploetert om een onschuldig schepsel een onbezorgde jeugd te geven.

Als ouder ben je in een klap volwassen. Kun je je daarop voorbereiden? Nee. We doen ons best, daar ligt het niet aan. En aan liefde ook heus geen gebrek. Maar de trillingen van de inslag zijn nog voelbaar, en resoneren door tot zijn eigen jeugd voorbij is en hij zelf vader wordt.

De zieke man

De zieke man

Mannen denken op sterven te liggen bij een griepje of menen op zijn minst kanker te hebben als ze door een mug gestoken zijn. Ze rijden direct naar de eerste hulp bij een beetje buikpijn en liggen een week te kermen in bed bij het begin van een verkoudheid. Tenminste, zo wil het cliché. Hypochondrie schijnt dan ook veel vaker voor te komen bij mannen dan bij vrouwen.

Mijn man is zo bekeken waarschijnlijk een uitzondering. Een man die blijkbaar stiekem een vrouw is als het om ziek zijn gaat – hoewel je ook dat kunt overdrijven. In de vier jaar dat hij bij zijn huidige werkgever werkt, heeft hij zich niet een dag ziek gemeld. Ook niet die keer dat hij griep en 39 graden koorts had. Hij zweette, had overal spierpijn, was snotverkouden en had nauwelijks geslapen. Met een bleke kop en blauwe wallen onder zijn ogen stond hij ’s ochtends als een uit zijn nestje gevallen vogeltje bibberig naast ons bed.
“Zou je niet thuisblijven?” probeerde ik nog, tegen beter weten in. “Volgens mij heb je koorts.”
“Nee, het gaat wel. Ik ga vanavond vroeg naar bed.”

En zo ging het. Vroeg naar bed, gewoon doorbuffelen en ja, uiteindelijk gaat de griep dan vanzelf over. Hij nam niet eens een aspirientje. Toen ik vroeg waarom niet, was het antwoord simpelweg: dat ben ik niet gewend. Briljante reden. Dat hij weigert zelfs een paracetamolletje te nemen is in het geval van mijn man extra opmerkelijk, gezien het feit dat hij uit Frankrijk komt. De Fransen zijn immers grootverbruikers van medicijnen en wat er ook scheelt als je daar een arts bezoekt, je stapt altijd met minstens een doosje pillen naar buiten. Zelfs als je helemaal niets mankeert; anders telt het niet.

Hetzelfde ging het met de oorpijn die drie maanden duurde. Al die tijd liep Kabouter Plop binnen de hele dag met zijn muts op, een wit watje stak vermanend uit zijn oor, maar ik was de enige die dat zag en me aangesproken voelde. Tot de dag dat ik daar genoeg van had en een afspraak regelde met de huisarts. Bleek hij al die tijd met een dubbele oorontsteking rond te hebben gelopen.

Waarom is het zo moeilijk om toe te geven dat je ziek bent? Dat je iets even niet meer kan? Dat je misschien hulp nodig hebt? Misschien ligt het juist daaraan: het feit dat mannen meestal niet gewend zijn om hulp te vragen en daar dan blijkbaar moeite mee hebben. Dat is dan wel in tegenspraak met de bovengenoemde gemeenplaats dat mannen doodgaan als er een onschuldig virusje rondwaart en zielig gaan liggen wachten tot ze vers getrokken kippenbouillon krijgen, warme grogjes met een flinke scheut cognac en heel veel liefde en aandacht.

Toch ben ik blij dat hij geen aanstelleritis heeft. Hoewel ik af en toe het liefst in zijn plaats in bed zou kruipen als ik hem – l’air de rien – door het huis zie strompelen.