Auteur: Lonneke

Meisjes van vijftien

Meisjes van vijftien

Veertien minuten over zeven in de ochtend was het toen meneer Van Zuylen wakker werd. Meneer Van Zuylen, of Herr Von Zuylen zoals hij zich graag liet noemen in de tijd dat hij nog leraar was en zich niets aantrok van zijn leerlingen die hem achter zijn rug om belachelijk maakten om die naam – en zijn collega’s trouwens ook – vond dat de rode cijfers op de wekker naast zijn bed hem verwijtend aankeken, maar hij begreep het wel want hij was veel te laat opgestaan, hij verweet het zichzelf ook. Meneer Van Zuylen hield niet van lang slapen. Meneer Van Zuylen hield van veel dingen niet, niet van thee met melk en niet van zijn leerlingen, maar wel van Duitse naamvallen en van pünktlichkeit. Misschien dat hij daarom toch leraar Duits was geworden, hoewel hij nu oud en kaal was en al lang met pensioen. Meneer Van Zuylen was een kale man, zelfs zijn handelingen waren kaal. 

     Ordnung muß sein, zei hij tegen zichzelf – en hij meende het – toen hij met krakende knieën uit bed stapte en met zijn tenen zijn kale pantoffels onder het bed zocht en ze niet vond. Terwijl zijn voeten blindelings rondtastten omdat hij met zijn stijve rug niet goed kon bukken ergerde hij zich aan die zinsnede die zijn gedachte bestookte, omdat die nogal voor de hand liggend was. Hij keek naar beneden, naar zijn voeten en naar de nagels die hinderlijk vergeeld en vergroeid waren en hij maakte een notitie in zijn hoofd om er dat meisje Vermeulen van de thuiszorg op aan te spreken. Eigenlijk was ze geen meisje meer, maar ze deed hem denken aan een leerling die ooit bij hem in de klas had gezeten, een van die vijftienjarige fluistermeisjes die de schoonheid van bloemrijke Duitse liefdespoëzie niet konden bevatten maar wel wat het was om hongerige jongens om de vinger te winden. Meneer Van Zuylen kon zich haar naam, Annechien, nog herinneren, zoals ook haar gegiebel hem nog levendig voor de geest stond en hem destijds ernstig tegen de borst stuitte; hoe slapper haar lach hoe groter zijn hekel aan haar. Het soort meisje dat meestal precies dat deed waarvan ze wist dat hij er niet van hield. Ze was een steentje in zijn schoen dat er twee jaar zat en toen het ten langen leste zijn huid open had geschuurd en een bloedende wond had veroorzaakt werd hij van school gestuurd en niet zij. Het zou nooit wat met haar worden, dat was een ding dat zeker was. Ze was een onnozel wicht en alle Gewimmel niet waard. Toch drong ze soms met haar, wat hem betreft misplaatste, air van zelfverzekerdheid zijn dromen binnen en als het steentje dan zijn hersenpan schuurde sloeg hij om zich heen als om een vervelende vlieg weg te jagen, hoewel hij zich daar niet bewust van was omdat hij sliep. 

     De dikke fluwelen gordijnen hielden het zonlicht grotendeels buiten en daarom kon hij zich niet goed oriënteren in de schemerige kamer, bovendien had hij zijn bril nog niet op. Overigens viel er niet veel te oriënteren, want de kamer was minstens twintig jaar niet veranderd, dezelfde kaalhouten meubels stonden op dezelfde plek op de sleetse linoleum vloer dus hij wist precies waar alles zich bevond; de omtrekkende bewegingen die nodig waren om de confrontatie met de meubels – die niets anders te doen leken te hebben dan daarop te wachten – te vermijden, hadden zich fysiek in hem verankerd. Hij stak zijn arm uit naar de bril op het nachtkastje, zette hem op zijn neus en bukte zich daarna moeizaam om onder het bed te kijken, wat zijn hoofd deed bonken en een pijnscheut door zijn rug joeg, dof en koud als een steen, en toen had hij eindelijk zijn pantoffels te pakken en schoof ze stevig aan zijn voeten zodat ze niet uit zouden slippen om hem ten val te brengen, iets wat zomaar gebeuren kon. 

     Met zijn goede hand hengelde meneer Van Zuylen zijn stok naar zich toe, die in een tamelijk adequate imitatie van hemzelf stram naast het nachtkastje stond te wachten, en met diezelfde hand duwde hij zich voorzichtig overeind en probeerde niet te kraken bij het opstaan, bang dat zijn skelet als een berg aangevreten kippenbotjes in elkaar zou storten. Omdat meneer Van Zuylen grote aandrang voelde schuifelde hij direct door naar de badkamer, wat wirklich veel te langzaam ging, zijn krompelige lichaam kraakte in zijn voegen terwijl zijn snor slap naar beneden hing als een dode, grijze muis en de druppels zich zonder schuldgevoel verzamelden op de voorkant van zijn pyjamabroek, want dat is nu eenmaal wat druppels doen bij een oude, zieke man die het allemaal niet meer kan ophouden. 

     Bij de badkamer aangekomen hield hij zich met twee handen vast aan de deurpost – er zou nog steeds een beugel geplaatst worden – en tastte naar het lichtkoordje, maar aangezien die verdammte stok zich nog in zijn andere hand bevond raakte hij uit evenwicht, maakte slagzij en belandde met een doffe smak op de koude badkamervloer. Daar lag hij, bevangen door een scherpe en hete pijn die de tranen in zijn ogen deden opwellen, zich hijgend tussen de mistroostig mosgroene tegels te realiseren dat hij zijn enkel had gebroken. Meneer Van Zuylen greep naar het alarm om zijn nek, maar had het op het nachtkastje laten liggen omdat hij ‘s nachts hij altijd bang was erin verstrikt te raken en nu kon hij geen kant op. Het lukte hem niet zich overeind te hijsen en de betonnen vloer deed zijn dunne papieren huid snel afkoelen, zodat hij begon te rillen. Hij dacht aan het meisje van de thuiszorg waar hij op zou moeten wachten en dat zou nog uren duren; als ze vandaag um Gottes willen maar niet te laat kwam. Ze wist dat hij er niet van hield. 

Toen Annechien Vermeulen die ochtend, om acht minuten over half elf om precies te zijn – ze was ruim een uur te laat omdat ze de avond ervoor haar wekker vergeten was te zetten toen haar moeder haar nog veel te laat had gebeld om te klagen over haar vader – binnenkwam in het appartement van meneer Van Zuylen was het stil, een geluidloosheid die kaal in de lucht hing. Ze keek om de hoek van de salon en riep hem, maar er volgde geen antwoord en daarom liep ze door naar de slaapkamer, waar de roerloosheid de stofjes deed dansen in een dunne strook zonlicht die door het gordijn kwam, en vervolgens liep ze naar de badkamer waar ze eindelijk een schor gefluister hoorde. Toen ze over de drempel stapte zag ze hem half buiten bewustzijn op de grond liggen, wit als een vaatdoek en met blauwige lippen lag hij overduidelijk te vergaan van de pijn en de enkel zag eruit alsof iemand hem had willen opblazen om een verjaardagsfeestje luister bij te zetten. De stank benam haar de adem omdat hij alles had laten lopen en krampachtig stak hij een hand naar haar op terwijl hij zachtjes Bitte kreunde, wat Annechien enigszins verwonderde aangezien hij nog nooit alsjeblieft tegen haar had gezegd. Terwijl ze naar hem keek en zich afvroeg of hij dat überhaupt wel eens tegen iemand had gezegd, zei ze Wie schade für Ihnen!, zich er niet van bewust dat ze de naamvallen door elkaar haalde en hoe jammer dat inderdaad was voor meneer Van Zuylen. Ze draaide zich om, trok eerst de badkamerdeur en vervolgens de buitendeur achter zich dicht en liet het zonlicht haar wangen verwarmen. Het beloofde een prachtige zomerdag te worden.

Photo by Katarzyna Grabowska on Unsplash

Jachtpijn

Jachtpijn

Doodstil zat hij. Adem vloeide in door zijn neus en deden zijn neusharen trillen, het rook naar aarde. De uitademing voelde warm op zijn lippen. In slow motion begon de duisternis op te trekken, de vage contouren van de dennen tekenden zich als stramme soldaten af aan de overkant van de verlaten weide. Stekelige takjes prikten in zijn nek en rug, het struikgewas bood beschutting maar was onaangenaam. Zeker na een paar uur zitten. Zijn ellebogen steunden op een knie en in zijn handen lag het geweer, het leunde licht tegen zijn schouder. De andere knie lag in het vochtige gras, doorweekt, onontkoombaar greep de donkere plek om zich heen. Vanaf zijn enkel klom een beestje, een mier misschien, door de pijp van zijn afritsbroek langs de binnenkant van zijn dijbeen naar boven en maakte vervolgens een wandelingetje langs zijn bilspleet. Het gekriebel bracht aangename rillingen teweeg, maar hij liet zich niet afleiden. 

     Hoe gespannener je bent, hoe eerder ze je in de smiezen hebben, ze voelen elke spierspanning van een potentiële vijand. Hij negeerde de kramp in zijn linkervoet. Vreemd hoeveel geluiden er klonken in het halfdonker. Een uil. Geritsel, van een woelmuis op de grond of de wind door de bladeren in de bomen. Hij luisterde naar de schemer, verplaatste toch even zijn voet.

     ‘Moet ik de pan alvast klaarzetten en de uien schillen?’ had Ineke gisteravond gevraagd. Hij kon er niet om lachen. Hij wilde nu eenmaal een keer in zijn leven weten hoe het was om een dier te doden. Een echt beest, een zoogdier. Om de jachtpijn te voelen, zoals Ben het noemde. Die gordiaanse knoop van triomf en leed die het doden van een levend wezen met zich meebrengt, puur en alleen voor jouw genot. Het schuldgevoel dat zou samenvloeien met de smaak van de overwinning.

     Daar! Vrijwel onzichtbaar maakte een schaduw zich los van de bosrand. Een reebokje, een jaarling. Geluidloos hief hij het jachtgeweer en keek door het vizier, de wijsvinger gespannen om de trekker. De ree stond aan de rand van het veld, het kopje behoedzaam geheven. Vijfentwintig meter schatte hij. Nog net zag hij de oortjes van links naar rechts bewegen. Hij zoog zijn adem naar binnen, spande zijn buikspieren en haalde de trekker over. Het schot reet de stilte uiteen, de terugslag van het geweer kwam toch nog onverwacht, evenals de zwerm vogels die opfladderde uit de eik links van hem. Het deed zijn ballen krimpen. Een fractie van een seconde verduisterde de eksterzee de lichter wordende hemel. Toen liet hij het wapen zakken, en legde het met bevende handen in het gras. 

     De weergekeerde stilte strekte zich uit over het landschap, alleen zijn hart en hoofd bonsden gelijktijdig toen hij om zich heen keek naar de onbeweeglijke omgeving. Hij wachtte op iets, maar wist niet goed wat. Applaus. Boe-geroep. Iets. Niet deze … desolaatheid. Hij deed een paar stappen naar voren, wankelend als een dronken boer en dacht aan Ineke, die wachtte met de uien. Hij zette nog een paar passen, het bloed begon weer te stromen en zijn benen kregen hun gevoel weer terug. Met de rugzak en het geweer liep hij over het open veld naar de bosrand waar het dier had gestaan, niet eens zeker of hij het had geraakt. Hij voelde zich naakt en bespied. Hij begon te rennen. 

     De bloedsporen in het gras leidden hem er vanzelf naartoe, naar de plaats delict. Het dier had zich nog enkele meters weg weten te slepen en was toen tussen de dennenbomen in elkaar gezakt. De buik was voor de helft opengereten, er droop een mengsel van glanzende ingewanden en bloed uit, er zaten al vliegen op. De fluwelige bruine oren waren wit behaard aan de binnenkant, de donkere ogen blind voor zijn moordenaar. Ze deden hem denken aan de zijne als hij in de spiegel keek en hij draaide zich om en gaf over. 

     Zijn handen trilden nog altijd toen hij een slok water uit de veldfles nam. Hij ging naast de kop van het dier zitten, legde deze op zijn schoot en aaide de zachte vacht van de neus. Stelde zich hem voor boven de bank, op een gelakt houten bord gespijkerd, hem voor altijd aanstarend met glazen ogen. Hij telde het aantal vogels dat overvloog en probeerde niet te kijken naar de vliegen die zich verzamelden bij het bloederige gat, niet te luisteren naar het gonzen in zijn oren. Toen de zon de bomen begon te beschijnen en in de verte een kerkklok luidde, stond hij op, stopte het geweer in de rugzak en ging.

In de schemer van de slaapkamer kleedde hij zich uit en schoof naast Ineke in het warme bed. Ze kreunde een beetje en draaide zich naar hem om. Hij aaide de gladde huid van haar neus, keek naar het dons op haar wangen, telde het aantal ademteugen dat vervloog en probeerde niet te luisteren naar de vlieg die zoemde achter het gordijn. Zijn vingers gleden langs haar wangen naar beneden en streelden haar nek, haar rug, buik, benen en billen, ze werd wakker en probeerde hem van zich af te duwen, hij klemde zich aan haar vast, dit dier, dit zoogdier, hij wilde het. Toen stortte hij zich op haar en zoog aan haar borsten als een hongerig kind en huilde en kwam klaar tegelijk.

Photo by Scott Carroll on Unsplash

Sokken

Sokken

 ‘Mama?’

   ‘Ja, lieverd.’

   ‘Waarom is papa weg?’

We hangen samen de was op. Ik vind het leuk om de was op te hangen. Het ruikt lekker en ik mag de kledingstukken hard uitslaan. Ze draait zich om en kijkt me aan. Ze schudt haar hoofd. Normaal dansen haar blonde krullen dan om haar gezicht, maar vandaag hebben ze er geen zin in. Haar gezicht is net zo wit als het kussensloop dat ze in haar hand verfommelt. Ik had er net de kreukels uit geslagen. Terwijl ze over mijn hoofd aait glinsteren haar ogen een beetje. 

   ‘Papa is niet weggegaan. Ik ben weggegaan.’

Ik denk na.

   ‘Maar jij bent nog hier.’

   ‘Ja ik ben hier. Maar ik wilde dat papa wegging.’

   ‘Maar waarom dan?’

   ‘Soms groeien mensen uit elkaar.’

Ik kijk naar een blauwgrijs gestreepte sok in mijn hand. 

   ‘Begrijp je dat?’

Ik snap er helemaal niks van.

   ‘Soms zijn mensen niet meer verliefd op elkaar.’

In de sok zit een gat. Ik steek mijn hand in de sok en mijn vinger door het gat. Het blauwgrijs gestreepte vingerdier draait zijn kop naar me toe en beweegt zijn lange slurf. Hij peutert in mijn neus.

   ‘Net als toen met Sterre, mama? Die zei ze me niet meer leuk vond.’

   ‘Ja, het is net zoiets als toen met Sterre.’ 

Ik trek het blauwgrijs gestreepte vingerdier het vel over de oren en schud zijn huid uit. Ik rommel in de wasmand. De andere sok vind ik niet. 

   ‘Kijk maar even in de wasmachine,’ zegt mijn moeder. ‘Misschien zit hij daar nog in.’

Ik loop naar de wasmachine en stop mijn hand erin. Ik laat de trommel draaien. Mijn vingers glijden over het gladde en tegelijk bobbelige oppervlak. Misschien is het met sokken net zo. Dat de ene sok niet meer verliefd is op de andere. 

Photo by Jisu Han on Unsplash

Goede moeder

Goede moeder

Heet, lichtgroen water gutst over Saskia’s broek.
‘Au, god-’ Saskia wrijft over haar been. ‘Dit was de enige waar nog geen vlekken op zaten.’
‘Het is maar water,’ zegt Floor, terwijl Saskia de bos munt in het glas op en neer beweegt alsof ze de vaat sopt. ‘Dat geeft geen vlekken.’
‘Blij dat ik zit.’ Saskia neem een voorzichtige slok. ‘Fijn dat we iets later konden afspreken. Goed om je te zien zeg. Zo lang geleden alweer.’
‘Hectisch zeker, thuis?’ Floor neemt een grote teug bier en kijkt met een schuin oog naar Saskia’s muntthee. Had ze ook thee moeten nemen? Met zo’n stuk gember erin. Schijnt gezond te zijn. Nah. ‘Hoe is het met Abeltje? Je geeft zeker nog borstvoeding?’ zegt Floor, en knikt naar de groene thee.
‘Al een tijdje niet meer, de melk liep terug. Alles geprobeerd, maar het wilde niet meer. Echt balen. Voel me zo schuldig. Daarom is het ook zo fijn dat we wat later konden afspreken. Ik wilde hem dan in elk geval in bed leggen. Dat is ontzettend belangrijk in mijn leven.’
‘Ik ben blij als ik ze eens niet in bed hoeft te leggen. Waarom denk je dat ik hier al zit?’ grijnst Floor. Ze heeft twee bier op en niet tegen Joris gezegd dat ze pas later met Saskia had afgesproken. Ze is gekke Henkie niet. ‘Maar wacht even, Sas. Je voelt je schuldig omdat je geen borstvoeding meer kan geven?’
‘Dat is toch het beste wat je hem kan geven? En als je lichaam dan niet meedoet…’
‘Daar hebben ze een uitvinding voor gedaan, al een hele tijd geleden: de fles geven heet dat.’
‘Dat is toch niet hetzelfde.’
‘Ze gaan er heus niet dood van. Kijk maar naar die van mij, niet kapot te krijgen.’
‘Ik vind het gewoon superbelangrijk dat Abel moedermelk krijgt. Het helpt tegen allergieën, en tegen astma en…’
‘Ja, ja.’ Floor wuift met haar hand de woorden van Saskia weg. Ze staat op om nog een biertje te bestellen.
‘Jij ook een?’
‘Nog een muntthee graag.’
Wanneer is Saskia zo’n muts geworden? Floor duwt haar een bokbier onder de neus.
‘Hier, dit is goed voor je relativeringsvermogen. Had je vroegâh ook nooit problemen mee.’
Saskia kijkt alsof Floor haar een stuk rotte vis voorzet en schuift het glas een stukje opzij.
‘Ik wil gewoon een echte moeder zijn. Dat is ontzettend belangrijk voor me.’
Floor knippert met haar ogen, ze krijgt het warm en koud tegelijk. Zegt ze dat echt?
‘Ik ga een peuk roken.’
Floor staat op en loopt naar buiten, inhaleert de rook diep, zo diep mogelijk, totdat haar longen branden. Totdat alle shit verschroeit. Dan maar geen goede moeder, denkt ze. Dat is ontzéttend belangrijk voor me.

Foto:Photo by Anastasia Vityukova on Unsplash

Boekentherapie op de Parade

Boekentherapie op de Parade

In de categorie: wat kun je een schrijver nog meer laten doen dan voorlezen, was de Boekentherapie op de afgelopen Parade in Den Haag en Utrecht een inspirerend voorbeeld. De Schrijverscentrale sprak met bedenker en boekentherapeut Helena Hilgerdenaar over schrijvers, hun kwalen en genezende boeken.

Boekentherapie was een literair programma waarbij het publiek op informatieve en humorvolle wijze ‘therapeutisch’ aan de hand werd genomen binnen de letteren. Boeken als medicijn voor de diverse ongemakken in het leven, maar bovenal als middel voor een gelukkig bestaan.

Doos tissues
Elke voorstelling lag er een andere schrijver bij Helena Hilgerdenaar, bedenker en boekenthearapeut, op de bank: “Het idee is dat je voor elke kwaal een boek hebt dat je kan helpen genezen. Heb je last van pessimisme? Lees dan Robinson Crusoë. De schrijver ligt bij mij op de bank en is ‘in therapie’. We praten over welke romans hem door zijn leven hebben gesleept. Uiteraard staat er een doos tissues klaar. En het publiek kijkt naar ons gesprek.” Enkele schrijvers die meededen: Peter Buwalda, Francine Oomen, Henk van Straten, Hanneke Groenteman, Jan van Mersbergen, Ingmar Heytze en Christine Otten.

Dit is wel de allerleukste therapievorm die er is: boekentherapie! – Francine Oomen

Hilarisch
In eerste instantie was Helena bang dat mensen dachten het te serieus was, dat er daarom niemand op af zou komen. Maar dat bleek niet nodig. “Mensen vonden het heel gezellig. Sommige avonden waren hilarisch, het is natuurlijk ook grappig bedoeld.” Wel was het af en toe lastig om publiek te trekken. “Ik merkte dat mensen vooral op de grote namen afkwamen. En dat de meesten echte literatuurliefhebbers zijn. De mensen die vooral voor de lol op de Parade komen zullen hier niet zo snel naar binnen lopen.”

Viersterrenrecensie
Toch was het een groot succes. “Ik kreeg een viersterrenrecensie in de krant. Het publiek was ook heel enthousiast, het sloeg echt aan. En de schrijvers vonden het ook geweldig. Ze vonden het vooral leuk omdat het zo anders is dan gewone lezingen. Het is een mooie mix op het snijvlak van theater, literatuur en schrijversinterview.”

Ik had een geweldig leuke avond in die tent. Met stortregens op het dak, omringd door boeken en lezers en een geweldige therapeut aan mijn zij – Ingmar Heytze

Oftewel: hoe een niet-literair festival een inspirerende vorm heeft gevonden om schrijvers live een plek te geven. Het geeft maar weer eens aan hoe flexibel en multi-inzetbaar schrijvers zijn.

Gepubliceerd in augustus 2017 op deschrijverscenrale.nl

Interview met Griet en Jan: ‘Het mooiste is dat ze de moeite nemen naar je te komen luisteren’

Interview met Griet en Jan: ‘Het mooiste is dat ze de moeite nemen naar je te komen luisteren’

De hele Boekenweek lang toeren Jan Terlouw en Griet op de Beeck door het land, vaak geven ze wel drie lezingen per dag. Hoe gaat dat, en waarom is een schrijversoptreden zo belangrijk? ‘Het is vooral een ongelooflijke eer.’

Wat vinden jullie ervan, de Boekenweek? Het lijkt me nogal hectisch.
Griet: ‘Ja, dat is het zeker, maar het is vooral een ongelooflijke eer. Het is overweldigend, maar ook een warm bad waarin ik terecht kom, ik word overal zo vriendelijk ontvangen. Het minste wat ik kan doen als mensen al een uur in de rij staan om hun boek te laten signeren, is er voor ze te zijn.’
Jan: ‘Het is een beetje lastig dat ik zeer verkouden ben, maar verder ervaar ik het als heel prettig. Het is heerlijk om door Johan van De Schrijverscentrale rondgereden te worden. Krachtensparend. De samenwerking met jullie is altijd goed.’

Ik hoop dat wat mij aan het hart gaat mensen raakt, en dat ze zichzelf durven laten raken – Griet op de Beeck

Wat is de meerwaarde van een schrijversbezoek?
Griet: ‘Op een andere manier contact maken met mensen die bereid zijn je boeken te lezen vind ik belangrijk. En dat het verhaal dat ik sta te vertellen niet anekdotisch is, maar dat het een inhoudelijk verhaal is. Ik hoop dat wat mij aan het hart gaat mensen raakt, en dat ze zichzelf durven laten raken.’

Wat vinden jullie het leukst aan een schrijversbezoek?
Jan: ‘Ik verheug me er altijd over als het publiek geïnteresseerd blijkt. Als ze met goede vragen komen en niet alleen maar zitten te luisteren.’
Griet: ‘Een lezing geven is sowieso heel prettig, en dan vooral het contact met het publiek. Het is eigenlijk een optelsom van dingen, dat ze de moeite nemen naar me te komen luisteren, dat ze liefdevolle dingen zeggen over mijn boek als het ze heeft geraakt, het persoonlijke momentje als je signeert.’

Het is belangrijk er constant op te letten of het publiek nog geboeid is – Jan Terlouw

Wat voor publiek komt er over het algemeen op jullie lezingen af?
Jan: ‘Een zeer gemengd publiek, van alle leeftijden. Zeker niet alleen maar ouderen. Ik heb natuurlijk veel voor jongeren geschreven en ik heb goed contact met politieke jongerenpartijen.’
Griet: ‘Dat is heel gevarieerd, maar over het algemeen zijn het wat oudere mensen. Hoewel er meestal wel een paar jongeren in de zaal zitten die de eer van hun generatie hoog houden, dat vind ik heel leuk. Ik geef af en toe wel lezingen specifiek voor een jong publiek, maar ik vind niet dat je jongeren moet verplichten om naar een schrijver te moeten komen luisteren. Ik wil niet de straf van de dag zijn! Gelukkig vinden ze het meestal wel leuk.’

Is het publiek anders in Vlaanderen dan in Nederland?
Griet: ‘De primaire reactie van Nederlanders is wel anders, uitbundiger. Ik houd niet zo van clichés, maar over het algemeen is het Nederlandse publiek geanimeerder, iemand zal rustig hardop lachen in zijn eentje. De Belgen zijn ingetogener. Ik doe meer bezoeken in Nederland dan in België, en als ik daar na een tijdje weer kom, moet ik soms weer even wennen. Dan denk ik na een kwartier: o god, ze vinden het niet leuk. Maar dat lijkt gelukkig maar zo. Inhoudelijk verschilt het niet veel.’

Vraag je af: wat wil ik doen met dat ene uur opdat het zinvol wordt – Griet op de Beeck

Hebben jullie tips voor schrijvers die net beginnen met het geven van lezingen of voordrachten?
Jan: ‘Het is belangrijk er constant op te letten of het publiek nog geboeid is.’
Griet: ‘Moeilijk! Ik denk dat het belangrijkste is dat je persoonlijk bent, in de zin dat je dicht bij jezelf blijft. Niet: wat moet ik doen om het publiek te vermaken, maar: wat wil ik doen met dat ene uur opdat het zinvol wordt.’

Foto (Lonneke Bär): Griet en Jan doen een dansje op het Boekenbal 2018

Gepubliceerd in maart 2018 op deschrijverscentrale.nl

Spreekbeurt

Spreekbeurt

Dagen had ik aan mijn spreekbeurt gewerkt. Ik was naar de bibliotheek geweest, had tientallen boeken opgezocht, tekeningen gemaakt en foto’s gekopieerd. Minutieus had ik alles in mijn nette, schoolse handschrift opgeschreven, de hoofdstuktitels met gekleurde viltstift onderstreept – elk hoofdstuk een andere kleur, de paragrafen per hoofdstuk bijpassend. Ik had het ook op de computer kunnen maken, maar gaf de voorkeur aan schrijven met de hand. Ik houd van het geruststellende gevoel van een goede balpen die zachtjes krassend over het papier schaatst, de letters krullen op het ijs. Ik leg er altijd een paar extra blaadjes onder, een matrasje voor mijn werk dat de grootste schokken opvangt. Toen al.

Duizend keer had ik mijn vader om advies gevraagd. Papa, hoeveel patiënten heb jij? En hoeveel komen er per dag? Papa, wat kost het om je oren te laten uitspuiten? Hoe voelt dat? En wat als ze dat niet kunnen betalen? Duizend keer had mijn vader geduldig antwoord gegeven. Toen hij vroeg of hij het mocht lezen gaf ik geen sjoege. Hij lachte en kneep me in mijn wang. Het zijne was het enige oordeel dat telde, daarom moest ik eerst op school uitproberen of het goed genoeg was.

Het was goed genoeg. Die middag, een dag waarop de wind de bomen uitkleedde, holde ik vanuit school naar huis om het hem te laten zien, mijn rugtas met daarin de brandend rode 9,5 op de voorkant van mijn werkstuk en een stikker van de juf tegen mijn benen botsend. Hijgend rende ik het tuinpad op, duwde de zware houten deur open en liep de trap af naar de i het souterrain gevestigde praktijk.

Normaal gesproken wanneer ik uit school kwam, zat mijn vader in zijn witte jas aan zijn bureau in de spreekkamer te werken. Naast het toetsenbord stond altijd een kop koffie, die met ‘I hartje mama’ erop. Zijn patiënten waren dan al naar huis; Joke, de assistente, ook. Ik had aangenomen dat de wachtkamer leeg was. Dat was ook zo. Ik had aangenomen dat hij achter zijn bureau zou zitten met zijn kop koffie. Dat was niet zo. Toen ik vol verwachting de wachtkamer betrad en naar de deur van half gesloten de spreekkamer liep, hoorde ik een zacht gesteun. Daarna een gilletje. Ik wilde mij al omdraaien omdat ik dacht dat er een verlate patiënt in de spreekkamer was en het mij ten strengste verboden was om in de praktijk rond te hangen als er bezoek was, toen er na nog meer gekreun een duidelijk ‘O mijn god, Pieter!’ klonk. Dat leek niet op een patiënt die een griepprik kreeg of wiens voetwratten werden aangestipt. Met het hart in de keel en gespitste oren sloop ik heel zachtjes naar de deur. Wat mij ertoe bewoog om tegen alle regels in de deur te openen en het risico te lopen me de toorn van mijn vader op de hals te halen, is me nu nog steeds niet helemaal duidelijk. Hoewel ik op die leeftijd van toeten noch blazen wist, had ik misschien al wel een vermoeden van wat er aan de hand kon zijn. En ik mocht dan een uiterst braaf kind zijn, ik was ook bijzonder nieuwsgierig. Hoe dan ook, er gierde opwinding door mijn keel en ik kreeg een zwaar en kriebelig gevoel in mijn onderlijf dat ik nog niet eerder had ervaren.

Behoedzaam duwde ik de deur naar de spreekkamer open. Eerst begreep ik niet wat ik zag, probeerde wijs te worden uit de kluwen bewegende ledematen van de naakte achtarmige octopus die voor me op de onderzoekstafel deinde. Totdat ik in de wirwar van bloot vlees mijn vader herkende. Hij stond tegen de tafel geleund en maakte stotende bewegingen. Alsof ik door een caleidoscoop naar het tafereel keek waarbij elk stukje driedubbel gekleurd uit alle hoeken op me af kwam en zich eindeloos herhaalde drongen alle beelden en geluiden versterkt bij me binnen. Naakte, bleke billen die schokkerig lilden. Een zwarte broek op half zeven. Getingel van de gesp van zijn donkerbruine leren riem. Het gekrijs van het ijzeren onderstel van de onderzoekstafel. Het ritmisch bonken ervan tegen de muur. Het stoffige laagje wit stuc op de vloer eronder. Vingers die zich om de rand van de tafel klemden. Nog meer kreunen en zuchten. Een zweetdruppel die langs een harige bilnaad gleed. Maar het beeld dat me het meeste schokte was dat van de roze gelakte teennagels in sierlijke zilverkleurige sandaaltjes met een elegant hakje. Mijn moeder droeg nooit nagellak.

Zachtjes sloot ik de deur en rende zo hard als ik durfde zonder geluid te maken naar mijn kamer. Een half uur later kwam mijn vader binnen, maar niet voordat hij op de deur had geklopt, wat hij anders nooit deed. Hij was keurig aangekleed met een messcherpe vouw in zijn zwarte broek, had zijn witte doktersjas aan en de stethoscoop om zijn nek. Even wreef hij over zijn hals terwijl hij me peinzend aankeek, diepte toen een tientje uit zijn broekzak en gaf het aan mij.
‘Koop hier maar wat lekkers voor.’ Bij de deur draaide hij zich nog even om. ‘En niets tegen je moeder zeggen.’

Mijn spreekbeurt kwam nooit meer ter sprake.

 

Photo by Marcelo Leal on Unsplash

Grondverf

Grondverf

Ik zit op mijn werk, mijn hoofd loopt om van de deadlines en de mails met vragen van schrijvers. Kind is alleen thuis vandaag, want studiedag. Mijn telefoon gaat.

‘Mam, mag ik de vloer van mijn kamer schilderen?’

Ik zit nog met mijn hoofd bij een schrijver die het niet lukt om in te loggen.

‘Sorry, wat zeg je?’
‘Ik wil de vloer van mijn kamer schilderen.’
‘Eh nou, dat lijkt me niet zo’n goed idee.’
‘Waarom niet. Ik heb hier twee potten, moet ik die grondverf gebruiken?’
‘Grondverf is een onderlaag voor verf, dat is niet voor op de grond.’
‘O, dan gebruik ik de muurverf.’
‘Wacht even, nee, het is geen goed idee om dat nu te doen. Muurverf is ook niet geschikt. Dat is voor de muur, niet voor een houten vloer.’
‘Maar dat maakt toch niet uit.’
‘Schat, ik vind het niet goed. Er komt wat meer bij kijken dan alleen verf op de vloer smeren en ik ben aan het werk. Ik kan nu niet…’
‘Hoezo mag dat nou weer niet. Ik weet niet wat ik anders moet doen!’
‘Ik snap dat je je verveelt en ik vind het op zich een leuk idee, maar niet nu. Ik kan je niet zo door de telefoon even uitleggen hoe je de vloer moet schilderen.’
‘Jezus, màm, ik verveel me! Wat moet ik dan doen!’

Ik hoor dat ze met haar ogen rolt.

‘Lieverd, ik heb hier echt geen tijd voor nu. We gaan het een andere keer samen doen en dan bereiden we het goed voor. Al je meubels moeten eruit en…’
‘Ja maar ik weet niet wat ik dan moet doen!’
‘Ga dan die servetten naaien die er al maanden liggen. Dat wilde je toch zo graag?’
‘Ja daaag, dat ga ik echt niet doen. Niet voor jou!’
‘Dan niet, maar ik moet nu weer aan het w…’

Boos hangt ze op. Tien seconden later belt ze terug.

‘Mam, doe niet zo flauw, waarom mag het nou niet?’
‘Het mag niet. En ik ben nu aan het werk. Ik heb hier geen tijd voor.’

Ze hangt weer op. Belt nog drie keer terug. Ik neem niet op. Ik heb mijn deadlines niet gehaald. Mijn hoofd zat nog in de grondverf.

 

Photo by RhondaK Native Florida Folk Artist on Unsplash

Zondagmiddag

Zondagmiddag

Ik gilde. De worm hing kronkelend voor mijn neus en Edwin hield me met een hand in de houdgreep, terwijl hij met de andere het naakte, piemelige beest bij mijn gezicht hield. Edwin was net zo verschrikkelijk als zijn naam. Zijn zusje, met de al even vreselijke naam Paola, stond er schaapachtig bij te grijnzen. Ze had een veel kleinere kamer dan ik maar wel een feloranje pluche kleedje op de vloer. Toch vond ik haar stom. Zeker nu ze met hem mee stond te lachen in plaats van mij te helpen. Alsof hij tegen haar zo aardig was.

Edwin greep de hals van mijn T-shirt beet, trok die open en gooide de worm naar binnen. Ik gilde nog een keer en begon te huilen. Het laatste wat ik wilde was om hem janken waar hij bij stond, maar ik kon er niets aan doen. Ik had een broertje dood aan regenwormen, meer nog dan aan hem. Hij liet me los, gaf me een duw en zei stoer dat ik me niet zo aan moest stellen, en dat hij hem heus niet echt in mijn shirt had gegooid.

Ik rende naar binnen, waar ik reine-claudesiroop van mijn moeder kreeg en snikkend vertelde wat hij had gedaan. Ik hield niet van reine claude, het was veel te groen, maar toch dronk ik het op. Ze aaide me over mijn hoofd en fluisterde in mijn oor: wat een stom rotjoch. Ik lachte door mijn tranen heen.

Later krabde ik op mijn buik. Het jeukte. Ik krabde nog een keer. Toen deed ik mijn T-shirt omhoog. De worm kronkelde op mijn buik en ik gilde.

Schat

Schat

Zachtjes sluipen we de trap af in fluwelen pyjamaatjes. De treden kraken en voelen koud aan onze blote voeten. Het begint al een beetje licht te worden, maar het huis slaapt nog. De stilte drukt op mijn oren. In de woonkamer zijn de bruine ribfluwelen gordijnen gesloten, de schemer werpt vreemde schaduwen op de vloer en de muren. Ze bewegen. Of niet? Lange grijpgrage armen die me willen pakken. Ik klem me dicht tegen broer aan. Hij is niet bang, dat weet ik zeker, het trillen komt van de kou. De schaduwen graaien naar mijn voeten en ik spring snel op de bank, trek mijn knieën hoog op en grijp het paarse kussen. Mijn schild tegen de schimmen.

Broer gaat op zoek. Achter de grote vingerplant in de hoek bij het raam, achter de gordijnen. Doordat hij ze een stukje wegtrekt springen de schaduwen opzij, op mij af. Ik kruip weg tegen de rugleuning van de bank, verstop mijn hoofd onder het kussen. Met een oog kijk ik er onderdoor. Heeft hij het al gevonden? Hij snuffelt tussen de theekopjes in het glazen kastje, hij speurt onder de bank. Daar vindt hij alleen een grote pluk stof. Hij blaast hem van zijn vingers, het dwarrelt op het rotan salontafeltje waar het nog even blijft wiegen. De donkere schaduwen lijken zich eroverheen te buigen, het schaapje op te willen slokken. Ik ril.

Zelfs in de boekenkast, waar mijn lievelingsboek van Richard Scarry staat, ligt niet wat we zoeken. De schaduwen komen dichterbij, als hij onze schat niet snel vindt, zullen ze ons grijpen en meeslepen naar hun hol, dan zijn wij hun schat.
‘Schiet op,’ fluister ik zo hard mogelijk.
‘Ik kan het niet vinden.’
‘Misschien onder de kussens van de bank?’
‘Kijk jij dan.’
‘Ik durf niet!’ Ik kruip nog verder weg in de hoek van de bank.
Broer zucht en begint de kussens op te tillen. Dan zitten we allebei heel stil, oren gespitst. Gemorrel aan de voordeur. Stemmen. Ik wil gillen, maar broer slaat zijn hand voor mijn mond. De stemmen klinken als schor gefluister, ik hoor iemand akelig lachen, dan de voordeur die open gaat en de schaduwen worden zwarter dan zwart en beginnen zich los te maken van de muur, ze schuiven langzaam met lange, benige vingers over de vloer naar ons toe en laten donkere vlekken achter op het tapijt.

Broer trekt me achter de bank en samen liggen we met bonkend hart te luisteren totdat ze ons komen halen. Het is zover. Ik weet het zeker. We hebben verloren. De knarsende stemmen klinken nu in de gang, bibberend zitten we te wachten tot ijskoude handen ons in de lurven grijpen. Ik piep. Broer slaat onhandig zijn armen om me heen en ik schrik, zijn armen zijn helemaal zwart en als ik naar mezelf kijk zie ik dat een schaduw zich om mijn been heeft geslingerd en het steeds donkerder kleurt, alsof de vlek die ik laatst op school had gemaakt met Oost-Indische inkt zich verspreidt door mijn aderen en mijn bloed en daarmee mijn huid zwart verft. Hard wrijf ik over mijn benen om het af te vegen, zo hard dat het schuurt en schrijnt, weg wil ik het zwart, maar het verdwijnt niet en dan probeer ik onder de bank te schuiven, ze mogen me niet vinden.

Terwijl ik met een dikke, strakgetrokken keel half onder de bank geklemd lig, stoot ik ergens tegenaan. Een doosje rozijntjes schuift over de vloer, een mandarijntje rolt erachteraan. Mijn arm strekt zich als vanzelf uit om het tegen te houden. Wit. Mijn huid is weer gewoon melkwit.