Maand: april 2018

Schoonmoeder

Schoonmoeder

‘Hoe is het eigenlijk met… Sandra?’ gokt Eric.
‘Sandrina.’ Peter neemt een laatste slok bier, zet het lege glas op tafel. Hij krabt op zijn hoofd. ‘Goed. Denk ik.’
‘Zie je haar niet meer?’
‘Ze is nu met ene Johan, schijnt.’
Eric schenkt Peters glas nogmaals vol. Heel vol. Het bier loopt nog net niet over de rand. Peter moet zich over de tafel buigen om eerst wat bier op te slurpen, voordat hij het glas zonder knoeien op kan pakken.
‘En die Daniëlle? Die blonde? Die was wel leuk.’ Eric graait een handje gezouten pinda’s uit het bruine aardewerken bakje dat op tafel staat. De gordijnen zijn dicht, het is warm in de woonkamer. Rode kaarsen branden op tafel. Een kerstboom staat zich bij het raam enorm uit te sloven. Glitterballen, rood en goud. Alles rood en goud. Knipperende elektrische lampjes. Aan, uit, aan, uit. Daarna langzamer, een paar seconden aan, een paar seconden uit, om vervolgens te knipperen alsof hun leven er vanaf hangt. Dan begint het hele circus opnieuw.
‘Daniëlle?’ Peter denkt even na. Krabt nogmaals op zijn hoofd. ‘O, die. Nee, dat was niks. Die wilde meer…’
‘Meer wat? Avontuur? Romantiek? Ja, dat willen ze graag. Dat moet je ze wel kunnen geven natuurlijk. Kijk maar naar mij en Joke. Zij heeft niets te klagen.’ Hij knikt even in de richting van de keuken en knipoogt dan naar Peter. Die bestudeert de hysterische kerstlichtjes alsof er een verborgen boodschap in verstopt zou kunnen zitten.
Uit de keuken klinkt gerammel van pannen en deksels en het gesmoorde gevloek van Joke, gekletter van borden die uit de kast worden getrokken, een la die wordt opengetrokken, gerinkel van bestek. In de woonkamer kleeft de stilte als een klamme waas aan de meubels. Peters stem verscheurt het onbeweeglijk zwijgen.
‘Mijn moeder kan je niet uitstaan, wist je dat?’
Erics hand blijft zweven boven het bakje pinda’s.
‘Waarom zeg je dat?’
‘Ik weet niet. Er viel een stilte. Dit was het enige dat me te binnen schoot.’
Joke, met een verhit gezicht en een beduimeld schort om, komt de kamer binnen, haar handen vol borden en bestek. Ze probeert met een elleboog de kaarsen op tafel opzij te schuiven om plaats te maken, waarbij er een vervaarlijk begint te wankelen. De mannen kijken toe. Ze zet snel de borden op tafel en smijt het bestek ernaast, grijpt dan de wiebelende kaars. Ze vloekt binnensmonds.
‘Peter zegt dat je moeder me niet kan uitstaan.’ Eric beziet hoe Joke met haar nagel wat druppels kaarsvet van de tafel krabt. Joke kijkt verbaasd op.
‘Hoe kun je dat nou zeggen, Peter? Daar is niets van waar!’ Ze zet de handen in haar zij terwijl ze met opgetrokken wenkbrauwen naar Peter kijkt.
‘Ja, hoe kun je dat nou zeggen?’ echoot Eric.
‘Je overdrijft, Peter. Hooguit heeft ze hem niet zo hoog zitten.’ Joke draait zich om en loopt terug naar de keuken.

Dokter

Dokter

Het was een zonnige donderdagochtend toen de lange, witgesausde gangen mijn voetstappen hol deden klinken terwijl ik me naar de achterste kamer op de zesde verdieping van de poli haastte, waar ik Aafke Verschuren zou ontmoeten. Normaalgesproken zou haar behandelend arts, dokter Verweij, de afspraak op zich hebben genomen, maar hij was wegens griep afwezig en had daarom de opdracht aan mij overgedragen.

Toen ik de deur van de spreekkamer opende, bleef ik staan. Een mij onbekende vrouw zat met een smetteloos witte doktersjas aan en een stethoscoop om haar nek achter het bureau. Aan de andere kant zat een meisje van een jaar of elf. Dat moest Aafke zijn. We waren hier om de uitslag van de test te bespreken. Die was positief, of eigenlijk negatief dus. Het is maar van welke kant je het bekijkt. Ik had me mentaal voorbereid op het gesprek, maar hier was ik niet op voorbereid. Toen ik de vrouw in de witte jas zag zitten was ik een kort moment in de veronderstelling dat een andere collega de penibele taak die mij was toebedeeld had overgenomen. Totdat ik begreep dat het Aafkes moeder moest zijn. Ook zij keek een ogenblik verbaasd, ongetwijfeld had zij verwacht dokter Verweij binnen te zien stappen, maar ze herstelde zich direct en trok een uiterst serieus gezicht.

‘Goedemiddag meneer…’ Haar ogen vernauwden zich terwijl ze naar het naambordje op mijn borst tuurde. ‘…Van Zijl,’ zei ze, en stak haar hand naar me uit. ‘Ik ben dokter Verschuren.’ Haar stem klonk gedecideerd. ‘En dit is Aafke Verschuren, mijn assistent.’
Ze wees naar het meisje met de donkere kringen onder haar ogen. Zij keek mij eveneens met een ernstig gezichtje aan.Lichtelijk van mijn à propos pakte ik haar hand aan. Ze had koele, zachte vingers. Bij de aanraking trok er een klein schokje door mijn huid. Ze bleef mij gespannen aankijken, mijn hand nog steeds losjes maar onontkoombaar vasthoudend. Plotseling begreep ik hun bedoeling en glimlachte.
‘Goedemiddag dókter Verschuren,’ antwoordde ik gespeeld beleefd. Eindelijk liet ze mijn hand los. Ik pakte die van het meisje. Klam. ‘Goedemiddag, Aafke.’
Ze keek me met grote grijze ogen strak aan, dwars door me heen leek het. Pas later besefte ik op dat moment geen enkel spoor van een glimlach of blik van verstandhouding op het gezicht van het meisje te hebben gezien.

Hoe het ook zij, ik besloot onverwijld het spelletje mee te spelen, de situatie was immers pijnlijk genoeg. Alles om het kind enigszins gerust te stellen. Ik nam plaats op de lege stoel naast Aafke, knipoogde naar haar en zei tegen haar moeder: ‘En, dokter?’
‘De situatie is ernstiger dan voorzien, meneer Van Zijl. Ik ben bang dat we nader onderzoek moeten doen.’
‘O, dat klinkt niet best. Wat voor onderzoek?’ vroeg ik op schertsende toon aan Aafke. Nog steeds die enorme grijze ogen.
‘Komt u met ons mee?’ Mevrouw Verschuren wees naar de deur. Ik begon me enigszins ongemakkelijk te voelen, maar omwille van het arme ding wilde ik niet nu al de pret bederven.

We liepen de spreekkamer uit en stapten gedrieën door de naakte gang. Links, bij kamer 6.3, stond een rolstoel. Mevrouw Verschuren legde haar koele handen op mijn schouders en probeerde mij in de stoel te duwen. Mijn lichaam verstrakte, het stribbelde haast automatisch tegen. Toen kruiste ik per ongeluk de blik van het arme kind, en ik liet me in de stoel zakken. Laat ik het niet direct verpesten, dacht ik nog. Er tintelde iets achter in mijn nek.

Voort ging het, Aafke duwde me door eindeloze gangen, in de lift, weer door gangen, tot we in de krochten van het ziekenhuis belandden. De laboratoria. Het mortuarium. Het leek alsof ze feilloos de weg wisten. De absolute stilte waarin een en ander zich voltrok verontrustte me. Ik probeerde een grapje te maken door te vragen: ‘Dokter, zij we er al bijna?’, en toen daar geen reactie op kwam te laten doorschemeren dat het wat mij betreft welletjes was geweest. Maar voordat ik een woord kon uitbrengen, voelde ik die koele handen die me zacht doch onherroepelijk neerdrukten in de rolstoel. Om van die grote grijze ogen nog maar te zwijgen. Mijn hart brak, elke keer dat ze me aankeken, en dan zwichtte ik weer. Nog even meespelen.

Uiteindelijk reden we een donkere ruimte binnen. Het vertrek had geen ramen, rechts van de ingang stond een stalen tafel met medische instrumenten en injectienaalden. Mevrouw Verschuren knipte de lamp aan, sloot de deur achter ons, liep naar de tafel en pakte zonder aarzelen een injectienaald, alsof ze precies wist welke ze hebben moest. Nu haar dwingende handen niet meer op mijn schouders rustten, stond ik eindelijk op uit de stoel.
‘Goed, mevrouw Verschuren…’
‘Dokter Verschuren.’
‘Dókter Verschuren,’ herhaalde ik korzelig.
Ze liep op me af met de injectienaald in haar hand. Er gleed een zweetdruppel over mijn rug, en ik deed behoedzaam een stapje naar achteren, mijn handen afwerend omhoog.
‘Nu is het mooi geweest. Het was een goede grap, ik heb hem zeer gewaardeerd. Ik begrijp tevens dat het een moeilijke situatie voor u is. Ik zal er dan ook alles aan doen…’
‘U zult helemaal niets meer doen, meneer Van Zijl.’
Ik draaide me naar Aafke, het zweet inmiddels ook op mijn voorhoofd, in de hoop op bijval. Zij zou haar moeder nu vast wel laten weten dat de grap onderhand lang genoeg had geduurd. In haar ogen zag ik echter geen begrip, enkel de reflectie van haar moeder die van achteren op mij afkwam. Nog voordat ik mij kon omdraaien, voelde ik een vlijmende pijn in mijn rechterarm, gemeen als een bijensteek. Geschokt staarde ik naar de plek waar de naald uitstak en voelde de huid eromheen intens warm worden. Alvorens ik het woord godverdomme kon uitspreken, draaiden mijn ogen weg en zakte ik op de grond. Alles werd zwart.

Het valt me zwaar dit verhaal te vertellen. De vernedering dit niet anoniem te kunnen opschrijven maar het te moeten dicteren aan een ander is fnuikend. Zoals de injectie mijn spieren voorgoed heeft aangetast, zo tast deze situatie mijn laatste beetje zelfrespect aan. Niet meer mijn eigen reet te kunnen afvegen doet de rest. En voor het geval u het zich afvraagt: niemand heeft mevrouw Verschuren, noch Aafke, ooit kunnen traceren.

Gedachten

Gedachten

Er waren een hele hoop gedachten. Er was een leeg papier. De gedachten kregen geen vorm, de woorden stroomden maar vonden hun bestemming niet op papier. De trein was al vetrokken, de bus reed niet meer, de verbindingen waren verbroken. De gedachten zaten opgesloten in het brein en bereikten hun bestemming niet. En er was niet eens een winterstorm. Gelukkig was er Facebook.

Oplosmoeder

Oplosmoeder

Er waren kinderen die de hele dag door riepen: mama! Waar is… Hoe moet ik… Mag ik… Kun jij… Wil jij… Waarom moet ik…

Er was een man die riep: liefje! Waar is… Hoe moet ik… We moeten… Kun jij… Wil jij… Weet jij…

Er was een moeder die dacht: En wat als ik er niet meer was? Ik ben een oplosmoeder. En langzaam loste ze op.

Slapende voeten wakker maken

Slapende voeten wakker maken

Ik voel mijn benen en voeten niet meer. Of toch wel, ze prikken. Het is net of er mieren door mijn voeten kruipen. Ze kriebelen allemaal door elkaar en rennen heen en weer. Ze hebben een mierennest in mij gemaakt. Papa zegt dat je voeten dan slapen. Dat is raar, hoe kunnen die nou slapen?

Mijn benen zitten klem in de lichtgele zitzak. Ik wil eruit klimmen om ze wakker te maken, maar ik zak weg in de zak. Ik druk me op mijn handen omhoog, wiebel met mijn billen. Als ik beweeg zie ik kleine witte balletjes uit een heel klein gaatje rollen. Volgens mij zijn het er wel duizend. Mama noemt ze piepschuimpjes. Maar je kunt ze niet eten. Dat heb ik een keer geprobeerd en dat was vies. Ik probeer de balletjes te vangen, maar ze blijven plakken aan de gele zitzak. Als er een aan mijn vingers blijft kleven, knijp ik hem fijn tussen mijn nagels. Ik schiet hem weg, naar mijn grote broer Sam die net als ik in een zitzak tv zit te kijken. Mis. Hij kijkt niet op. Hij kijkt alleen maar.

We hebben ons vanochtend geschminkt en verkleed als clowns. Dat is grappig, want dan zie je er gek uit en we moesten heel hard lachen. Papa en mama ook. Sam zit net als ik met zijn benen in de zitzak gestoken. Zo zitten we altijd als we tv kijken. Het gaat eigenlijk vanzelf, we kruipen in een nestje. Het ziet er gek uit, net of hij vanaf zijn billen uit een oliebol steekt.

Ik heb dorst, maar durf niet naar de keuken. Daar zitten papa en mama. Ze maken ruzie. Dat weet ik, want mama schreeuwt. Papa roept godverdomme. Eigenlijk versta ik niet goed wat er op tv gezegd wordt. Ik hoor steeds de stemmen van papa en mama er doorheen. Soms praten ze zacht, soms schreeuwen ze, maar ik begrijp niet wat ze zeggen. Ik hoor alleen de naam van de buurvrouw. Ik kruip weer weg in de zitzak. In mijn eigen mierennest. Mijn voeten prikken. Ik heb dorst. Mijn neus jeukt. Ik veeg over mijn gezicht en schrik. Er zit een rode streep op mijn hand. Ik heb mijn lach weggeveegd. Het is zaterdag. Het is elke zaterdag.

Bereik meer met flirten

Bereik meer met flirten

In de kroeg, op het werk en in de supermarkt, we flirten er lustig op los in het dagelijks leven. Hoe haal je meer uit je flirt?

“Uiteindelijk flirt je altijd om iets gedaan te krijgen. Dat klinkt misschien heel berekenend, maar dat hoeft het helemaal niet te zijn,” zegt Tila Pronk, sociaal psycholoog aan de Universiteit van Tilburg en specialist op het gebied van de liefde. Tila: “Je kunt natuurlijk proberen iemand in bed te krijgen door te flirten, maar het kan ook om iets heel onschuldigs gaan. Je kunt je bestaande relatie er een boost mee geven of nieuwe contacten opdoen, een goeie korting in een winkel bedingen of zakelijk flirten. Of gewoon, zomaar, omdat je er energie van krijgt en het prettig is om contact te maken.”

Flirtcoach Saskia Paulissen: “Soms ben je een hele avond lekker aan het stappen en flirt je erop los. Uiteindelijk ga je alleen naar huis en heb je toch een topavond gehad. Flirten is verleiden door verbinding te maken met de mensen om je heen, op een luchtige en speelse manier even contact maken. Dit kan door beminnelijk te lachen, iemand even doordringend aan te kijken en dan weer wegkijken, of subtiel aan te raken. Daardoor krijg je zelf een positieve uitstraling, want je wordt gezien. Flirten is positieve energie, die maakt dat mensen zich aangesproken en eerder tot je aangetrokken voelen.”

Lees hier het hele artikel, verschenen in Santé Magazine: Sante-flirten-2015

Orkest

Orkest

Er was een man, die een bos omzaagde. Het ging de hele nacht door. Met een handzaag, een cirkelzaag, een elektrische zaag, een ijzerzaag, een decoupeerzaag, een repricozaag, een kapzaag, een celbetonzaag. Er was een heel zaagorkest. Als je goed luisterde, was het prachtig.

Maar er was een vrouw, en die was moe. Die had geen oren naar een zaagorkest. Er waren oordopjes, maar de bassen dreunden er dwars doorheen.

Gilles de la Puberette

Gilles de la Puberette

Het ligt op de bank en vreet. Pubers, zijn dat niet die wezens die je af en toe in huis tegenkomt maar die op hun eigen planeet leven? Buiten kijf staat dat het heerlijk eigenwijze, aandoenlijke en verschrikkelijk lieve mensjes zijn. Maar dat neemt niet weg dat je ze hierom af en toe graag achter het behang zou willen plakken:

Lamzakken
Pubers hangen. Overal. Aan tafel, op de bank, buiten met elkaar. Hun lijf lijkt wel van zachtgekookte spaghetti. En ze liggen altijd in de weg. Tenzij je ze nodig hebt, dan zijn ze in geen velden of wegen te bekennen.

IJdeltuiten
Uren voor de spiegel, te veel gel, te veel haarlak, te veel deo, te veel make-up. Of het andere uiterste: te weinig van dit alles. Trek. Schone. Sokken. Aan. En. Was. Je Haar. Waarna je het raam van de slaapkamer maar weer eens openzet.

Vreten
Pubers eten niet, ze vreten. Je hebt net een heel brood gehaald, je draait je even om voor het opruimen van de rest van de boodschappen, is er alleen nog een lege zak over. En de puber in zijn hol verdwenen. Gelukkig ligt er nog een brood in de vriezer. Toch?

Opruimen
Over lege verpakkingen gesproken. Dat je dus niet denkt dat er nog daadwerkelijk iets ín dat pak cruesli of melk zit dat netjes in de (koel)kast staat. Daarentegen puilt hun kamer uit van rondslingerende make-upspullen, schoolboeken (onderop), vies ondergoed, stinksokken, tijdschriften, lege kommetjes en heel veel lege verpakkingen. Gezellig rommelig, noemen ze dat.

Schermen
En dan bedoelen we dus niet de sport. Vastgekit aan hun beeldscherm is het enige stukje wat je van ze te zien krijgt gehuld in een zombie-achtig blauw schijnsel. Je hebt je er inmiddels bij neergelegd dat er 364 appjes per uur binnenstromen. Maar dat zelfs de vaatwasser inruimen onmogelijk is zonder mobiel… O, wacht, de vaatwasser inruimen?

Afspreken
Dit woord kennen ze alleen in de context: met vrienden. Dus niet als in: laten we afspreken dat je je kamer opruimt/op tijd thuis bent/niet langer dan 3 uur per dag achter een beeldscherm zit/je huiswerk maakt/laat weten waar je bent/op tijd naar bed gaat. Trouwens, ze horen toch niet wat je zegt, want ze zitten met hun neus in hun mobiel.

Driftkikkeren
Van een ochtendhumeur waar zelfs de kat voor wegvlucht tot schijnbaar totaal redeloze woedeaanvallen. Omdat je het waagt te vragen hoe hun dag was of hoe dat proefwerk ging. Met je Gilles de la Puberette.

Gepubliceerd op Libelle.nl
Photo by John-Mark Smith from Pexels

De eerstgeborene

De eerstgeborene

Hij sloeg in als een bom, mijn eerstgeborene. Of, zoals ik het nu graag verwoord voor iedereen die, liefst voor het eerst, zwanger is: “I had no idea what hit me.” Ik was zelf nog een kind, ook al was ik dertig en hij uiterst gewenst. Hij heeft het alleen niet getroffen met ons, zijn ouders. Dat arme joch.

De verantwoordelijkheid voor een pasgeborene is een door de bliksem gevelde eik waaronder je nietsvermoedend wordt geplet. Je hand steekt er nog net onderuit om zijn zachte garnalenvingertjes vast te houden en dat smakkende rozenmondje te voeden. De spiegel die hij je voorhoudt is grotesker dan een lachspiegel op de kermis. Daar sta je dan naar jezelf te kijken hoe je, naakt in al je onvolkomenheden, potsierlijk ploetert om een onschuldig schepsel een onbezorgde jeugd te geven.

Als ouder ben je in een klap volwassen. Kun je je daarop voorbereiden? Nee. We doen ons best, daar ligt het niet aan. En aan liefde ook heus geen gebrek. Maar de trillingen van de inslag zijn nog voelbaar, en resoneren door tot zijn eigen jeugd voorbij is en hij zelf vader wordt.

Zeep

Zeep

Jannie had haar linkerarm door die van Bets gestoken, in de andere hand klemde ze stevig een vaal rieten mandje vast. Gruwelijk koud was het, bijna net zo koud als die laatste oorlogswinter, verleden jaar. Gestoken in dunne bruine kousen wrongen haar voeten zich pijnlijk tegen het strakke leer van te kleine schoenen. Haar hoofddoekje, gemaakt van een kleurloze lap die moeder god weet waar had opgeduikeld, was dun als vloeipapier en niet bestand tegen de gekartelde oostenwind.

“Zouden ze zeep hebben?” zuchtte Bets verlangend. De straten waren bekleed met witte wol, zacht en aaibaar de contouren van de huizen. Een flard vioolmuziek klonk van verderop in de straat. Jannie zag een donker silhouet lomp afsteken tegen het wit. Wie stond er in dit weer nu buiten te spelen? Zagend kwam het geluid dichterbij, een melodie kon je het niet noemen. Het kloeg, en klauwde zich in haar oren. Ze huiverde. Dichterbij gekomen leek de violist niet meer dan een mager karkas, grotesk opgetuigd met een sierlijke hoed. Snel draaide ze haar hoofd weg. Was dat Simon Presser? Kon dat? Haar wangen begonnen te gloeien terwijl haar voeten plotseling gevoelloos werden.

De antiekwinkel van de familie Presser verderop in haar straat kwam haar weer voor ogen. Ze had er vroeger altijd voor de ramen staan kijken naar de zilveren kandelaars, er had ook een viool in de etalage gelegen. Tot die ene avond het gebonk van geweren op de voordeur had geklonken en een stem blafte: “Aufmachen! Wo sind sie?!” Haar vinger had getrild toen ze naar de winkel wees. “Danke schön, Fraulein,” grijnsde de commandant, waarna het groepje voort stampte tot aan het zeventiende-eeuwse pand met de sierlijke krulletters op de ruit. Snel had ze de voordeur gesloten, haar hart even luid bonkend als de soldatenlaarzen op straat. Toen het gerinkel van glas en een hoog gegil. Van Esther, dacht ze. De wegrijdende vrachtwagen had de huizen doen trillen. Daarna was de stilte ijzig neergedaald over de straat, een stilte die nog immer voortduurde.

Snel keek Jannie nog een keer om naar de violist. Ze greep haar hoofddoekje en trok het strakker over haar hoofd. De stof scheurde, maar ze merkte het niet. Ze versnelde haar pas en trok Bets mee, die haar verbaasd aankeek.
“Ik zou een moord doen voor een stukje zeep,” zei Jannie.